The Sunday Times Magazine   | Londen  

Duizenden opiniestukken verschenen in het Verenigd Koninkrijk over de Brexit. Maar aan deze column van de inmiddels overleden journalist en restaurantcriticus A.A. Gill konden weinig tippen.

Ze was zo’n bekende verschijning, die vrouw op Question Time. In elke rij, in elke koffiebar, bij elke school, in elke parochieraad van het land kom je haar tegen. Middelbaar, middenklasse, middle of the road, met haar te zwaar opgemaakte wijkverpleegstersgezicht en haar weerbestendige uitdrukking van verongelijktheid is zij onze nationale schoonmoeder. De camera zoomde op haar in en ze riep: ‘Ik wil alleen maar mijn land terug. Geef me mijn land terug.’

Het was een oprechte kreet van diepe angst en het publiek barstte uit in een warm applaus, maar ik dacht: terug van wat? Terug waarvandaan?

Sentimentele nostalgie

We willen ons land terug, het is het mantra van alle outies. Farage lalt het. Grove insinueert het. Natuurlijk weet ik wat ze bedoelen. We weten allemaal wat ze bedoelen. Ze bedoelen: terug van Achmed Buitenlander, terug van het randje van de afgrond, terug uit de toekomst, terug naar knus onder elkaar, terug naar groene heggen en stenen muurtjes en landweggetjes en kerkklokken en warm bier en zuurtjes en voetbal en ratels in het voetbalstadion en jolige grappen en houten klompen op klinkerweggetjes. Terug naar gekostumeerde ‘vicar and tarts’-feestjes en lachen om een scheet. Terug naar de tijd van altijd mooi weer en borders vol kruiden en auto’s die Morris heten. Terug naar biscuittaart en 22 yard tot de wicket en naar drie voet in een yard en vier vingers in een KitKat, terug naar kruisbessen en geen avocado’s, terug naar eerbied en respect, naar je behelpen met wat je hebt en repareren en dapper glimlachen en je tanden op elkaar zetten en in stilte lijden en buitenlanders behandelen als sneue kleuters.

We weten allemaal wat ‘we willen ons land terug’ betekent. Het is een lijntje snuiven van die verderfelijke en slopende little-England-drug: nostalgie.

Het warme, kruimelige, goudbruine collectieve ‘gisteren’ en het innige geloof dat alles toen beter was, dat Groot-Brittannië (of eigenlijk Engeland) nu een slechtere plek is dan het op een vaag moment in het verleden was, op het hoogtepunt van ons o zo geliefde wereldrijk. Het is het besef dat het beste al achter ons ligt, dat we nooit meer iets kunnen bouwen dat zo mooi is als een Georgiaans landhuis van de National Trust, dat geen kunst zo goed zal zijn als Turner, geen gedicht zo prachtig als ‘If’, dat geen schrijver kan tippen aan Shakespeare of Dickens, niets zo mooi zal bloeien als een cottagetuin, geen held groter kan zijn dan Nelson, geen politicus beter dan Churchill, geen aanblik aangrijpender dan de witte rotsen van Dover en dat we nooit meer zoiets geweldigs zullen fabriceren als een Rolls-Royce of een Flying Scotsman.