El País   | Madrid

De Mexicaanse deelstaat Jalisco is een belangrijke technologische hotspot geworden. Talent dat in het verleden nog steevast naar Silicon Valley afreisde, blijft nu liever thuis. Dat komt door de verbeterde infrastructuur, maar ook door nieuwe visumbepalingen in de VS.

‘Guadalajara ligt dichter bij San Francisco dan New York,’ zegt Eliazar Parra, een 32-jarige computerprogrammeur die in de Mexicaanse deelstaat Jalisco woont en vanuit zijn huis werkt voor ondernemingen als AT&T en Facebook. Dat 
is de reden, denkt hij, dat technologiebedrijven hun oog hebben laten vallen op deze uithoek in het westen van Mexico. Parra vertrok in 2008 naar de Verenigde Staten om als zelfstandige 
in Silicon Valley aan de slag te gaan. Maar hij werd hetzelfde jaar nog het land uitgezet omdat hij niet over een werkvergunning beschikte. Zou hij het weer willen proberen? ‘Nee, ik ben erg bang voor de restricties die Trump heeft opgelegd, en het punt is dat ik graag thuis werk. Hier is het goed leven.’


Zoals Parra zijn er honderden jonge Mexicaanse ingenieurs, informatici 
en wiskundigen die de laatste tijd in deze regio de kans hebben gekregen hun projecten te realiseren. De deelstaat Jalisco in West-Mexico biedt zo langzamerhand heel wat mogelijkheden. Al dertig jaar wordt er aan hoogtechnologische research & development gedaan, zowel door grote ondernemingen als door start-ups, waarmee de regio een technologische hotspot is geworden. En als gevolg van de – deels door Trump ingevoerde – visumbepalingen is er nog meer activiteit ontstaan. Mexico heeft zijn deuren wijd opengezet voor talent dat vanwege de immigratiepolitiek niet meer in de VS kan gaan werken.

Werknemers van het Amerikaanse Wizeline Inc. in Guadalajara. – © Hector Guerrero / Getty