Al-Arabi Al-Jadid   | Londen

De dubbele aanslag van 9 april op de koptische gemeenschap in Alexandrië en Tanta, ten noorden van Caïro, toont volgens deze commentator aan dat het veiligheidsbeleid van de regering-Al-Sisi een mislukking is.

Dit jaar werd 9 april geen feest voor wie zich opmaakte om Palmzondag te vieren. Want in twee kerken, in Tanta en in Alexandrië, vloeide er bloed en vielen er in totaal 44 doden en zo’n honderd gewonden. Dat confronteert ons met een trieste realiteit, en we zouden nu de moed moeten hebben om het ronduit toe te geven: Arabische christenen hebben reden om zich onveilig te voelen in het Midden-Oosten.

IS blijft dat keer op keer bewijzen. 
Maar het zet alleen voort wat anderen al eerder deden. Want van het ‘kalifaat’ van Mosul was nog geen sprake tijdens het antikoptische geweld in 1998 in Al-Kosheh, een stad in Midden-Egypte, en ook niet tijdens de schietpartij voor een kerk in Qena in 2010 [in het zuiden van het land], en evenmin tijdens de aanslagen op kerken in Alexandrië en Aswan in 2011, om nog maar te zwijgen van alle andere aanslagen in diverse Egyptische steden waar kopten zijn vermoord, enkel en alleen omdat ze kopten waren.

De bom die op 11 december vorig jaar ontplofte in de Sint-Marcuskathedraal, waarbij 25 doden vielen, markeerde simpelweg het begin van de ‘mosulisering’ in deze lange reeks aanslagen op de koptische gemeenschap.

Indoctrinatie

Wij hebben, net als vele anderen, geschreven wat we moesten schrijven om deze schandelijke daden te veroordelen. We hebben gezegd wat we moesten zeggen over de verantwoordelijkheid van de Egyptische autoriteiten in verband met het toenemend sektarisch geweld, en over het falen van de overheid om haar burgers tegen het terroristische ongedierte te beschermen. Dit geweld treft trouwens niet alleen christenen. Een sjiitische moslim 
weet zich evenmin veilig als hij in een moskee van zijn geloofsgemeenschap gaat bidden. Hij moet voortdurend 
op zijn hoede zijn voor soennieten 
die geïndoctrineerd zijn met teksten als ‘sjiieten zijn ketters’. Maar ook de soennieten voelen zich bedreigd door sjiieten met een denkwereld die overloopt van een blind confessionalisme.

In de buurt van Damascus zijn alevitische Syrische vrouwen door islamistische strijders gevangengenomen en in kooien opgesloten, in Syrië zijn christelijke priesters en monniken ontvoerd of vermoord, en de christenen in Mosul werden gedwongen in ballingschap te gaan toen ze weigerden djizja (hoofdelijke belasting) te betalen aan ‘kalief’ Abu Bakr al-Baghdadi.

Dat er een confessionele wind door de Arabische wereld waait, valt dus moeilijk te ontkennen. Je hoeft ook maar te kijken wat er – minder zichtbaar, maar in feite even kwaadaardig – op sociale media voorbijkomt, waar bijvoorbeeld wordt uitgelegd dat je God niet om genade moet vragen voor een jonge christelijke Jordaniër die bij een auto-ongeluk is omgekomen.