Novaya Gazeta   | Moskou  

Al slooft wereldkampioen Magnus Carlsen zich nog zo uit, van de computer wint hij niet meer. Zo verdwijnt de schoonheid van het spel, vindt Aleksej Polikovski.

Het tweetal zit dagenlang tegenover elkaar in een glazen aquarium, alleen gescheiden door een schaakbord. De entourage is supersimpel gehouden. Een digitale klok om de duur van de partijen te meten. Witte velletjes op een zwart klembord om de zetten te noteren. Blauwachtige flessen Isklar-mineraalwater op een bijzettafel. Dat is alles, meer is er niet in het aquarium waar deze twee mannen een maand hebben gespeeld – en 
hun best hebben gedaan om elkaar nooit in de ogen te kijken.

De eerste werd grootmeester op zijn twaalfde, de tweede op zijn dertiende. Ze zijn allebei geboren in 1990, hebben in dezelfde toernooien gespeeld en 
hetzelfde leven van beroepsschaker geleid. Bij schaken komt alles aan op zelfbeheersing: je toont nooit je emoties, anders dan bij boksen of voetballen. Toch waren hun reacties verschillend. Zelfs op moeilijke momenten bleef Sergej Karjakin onverstoorbaar 
glimlachen. Magnus Carlsen balde werktuiglijk zijn vuisten als hij in moeilijkheden was. Zo identiek en zo verschillend zaten ze tegenover elkaar tijdens de finale van het wereldkampioenschap schaken in november 2016, terwijl onder de tafel hun luxueuze mocassins van soepel zwart leer glansden.

Eeuwenlang onveranderd

Het schaakspel zoals het bedreven werd door 
Richelieu en door Leo Tolstoj, maar ook door Karel de Grote en Napoleon, is eeuwenlang onveranderd gebleven. Op duizenden kilometers van elkaar hebben de laatsten een aanvallend spel gespeeld 
en hun neus opgehaald voor de rokade (waarbij de koning en een van de torens tegelijkertijd worden verplaatst), die ze als laf beschouwden. Maar alles 
is de afgelopen decennia veranderd, om te beginnen het imago van het spel.

In 1951 betwistten Michail Botvinnik en David Bronstein elkaar het wereldkampioenschap in de Tsjaikovskizaal in Moskou; in 1984 speelden Anatoli Karpov en Garri Kasparov hun beroemde partij in 
de Zuilenzaal in dezelfde stad. In beide gevallen zat het publiek zwijgend in de orkestbak, maar het durfde wel adem te halen, te kuchen en zelfs te bewegen.

Dergelijke verstoringen wekten de verontwaardiging van Bobby Fischer, de wereldkampioen van 1972, die meermaals om een afgesloten ruimte had gevraagd waar hij zijn geniale zetten in absolute stilte zou kunnen bedenken. Tegenwoordig zijn Carlsen en Karjakin als twee astronauten opgesloten in een doorzichtige capsule met airco; ze leven in een andere wereld, waar de gedachten zo intens zijn en tegelijkertijd zo kwetsbaar dat het geringste niesje 
of kuchje van een toeschouwer ze fataal wordt. Hun spel is zo ondoorzichtig, zo verzadigd van kennis en zo complex als gevolg van computeranalyse, dat het niets menselijks meer heeft. Zo zouden robots ook kunnen spelen, of mensen bij wie een processor is ingeplant.

Tijdens een WK-finale tegen Vladimir Kramnik had Veselin Topalov er heftig tegen geprotesteerd dat Kramnik naar de wc ging, omdat hij hem ervan verdacht dat hij daar op een computer zou gaan spieken. In het glazen aquarium van Carlsen en Karjakin zijn geen computers, en in de ontspanningsruimten evenmin. Ze zijn verboden tijdens de partij, die niet meer onderbroken mag worden, zoals vroeger wel het geval was, en aan het schaakbord moet eindigen zodat de posities niet aan een computeranalyse kunnen worden onderworpen. Vroeger waren teams van secondanten, bestaande uit de beste meesters, nachten lang bezig om in wolken sigarettenrook de posities op verschillende schaakborden tegelijk te analyseren, zodat de speler de partij de volgende ochtend dankzij de door hen bedachte zetten succesvol zou kunnen afronden.

Nu is deze praktijk ter ziele, door toedoen van de computer.