Die Tageszeitung   | Berlijn 

Een groeiend aantal ultranationalistische Duitsers trekt zich terug op het leeglopende platteland. Zijn zij een sekte? Of ongevaarlijke zonderlingen die messen smeden, ecologisch boeren en oude ambachten beoefenen?

Het is er stil, afgezien van de krijsende kraaienzwerm die is neergestreken voor de bakstenen kerk. Nergens een mens te bekennen. Klaber ligt op een verlaten plek in het landschap van Mecklenburg, ongeveer 20 kilometer van Güstrow. De toren van de kerk, van verre zichtbaar als herkenningspunt, een vijver, een Gutspark, een Gutshaus, een imker, een smid, een boekbindster. Oude ambachtskunst die je na aanmelding kunt bewonderen en kopen.

Jan Krauter woont er nu zeventien jaar. Een grote, slanke man met een onverzorgde rossige baard en opvallend blauwe ogen. In zijn smederij maakt hij damaststalen messen voor de keuken en de jacht. ‘Ik zit vol tot volgend jaar,’ zegt hij. Behalve kostbare lemmeten verkoopt Krauter ook honing en honingwijn. ‘Groente en fruit verbouwen we alleen voor eigen behoefte.’ Maar voor een groot gezin – Krauter heeft zes kinderen – is die behoefte nog niet zo gering.

De groep die met Krauter op het landgoed woont en werkt, wordt wel betiteld als neo-Artamanen [afgeleid van de naam van een extreemrechtse jeugdbeweging uit München, die later in de Hitlerjugend werd opgenomen]. Maar zo ziet Krauter zichzelf niet. Eerder voelt hij zich verwant met de Amerikaanse Amish, bij wie hij ooit een jaar heeft gewoond. In de stad met zijn drukte, verloedering, ‘gendergedoe’ en veel buitenlanders houdt hij het niet meer uit.

‘Artamanen – dat zegt de Amadeu Antonio Stichting over ons,’ zegt Krauter. ‘Ik heb ze aangeklaagd en ik ben veel geld kwijt geweest aan advocaten.’ De [burgerlijk-rechtse] stichting tegen extreemrechts geweld laat weten dat de smid een klacht had ingediend omdat hij beschuldigd werd van deelname aan een opstootje in de tuin van de burgemeester van de gemeente Lalendorf, waar Klaber deel van uitmaakt. Tot een proces kwam het nooit. ‘Die stichting bestempelt ons ook als völkische kolonisten,’ zegt de smid. Ons? ‘Ja, mij en wat vrienden.’

Hij was altijd al rechts, maar dat belette deze uit Hannover afkomstige en tot bankemployé opgeleide man niet om als zestienjarige ‘een neger uit Somalië als vriend’ te hebben. ‘In Duitsland wordt alles zwartgemaakt wat niet keurig burgerlijk is. Ik heb actie gevoerd tegen gentechnologie en tegen vluchtelingen. Maar tegenwoordig mag je niks meer zeggen.’

Elite binnen rechts

Wat hij tegen vluchtelingen heeft?

‘Kijk, negentig procent bestaat uit alleenstaande jonge mannen. Ze belanden hier via smokkelsyndicaten. Sinds zij hier in de omgeving gehuisvest zijn, gaan onze drie meisjes niet meer zwemmen in de vijver.’

In de brandschone smederij met het knetterende vuur en oude, zorgvuldig onderhouden gereedschappen waant de bezoeker zich teruggeplaatst in pre-industriële tijden. Op de werkbank ligt een gesmeed lemmet. Krauters medewerker is druk doende met het hoornen heft. Het kostbare product vindt vooral aftrek bij Zwitsers.

Het gezin is het allerbelangrijkste, zegt Krauter. Hij heeft in de omgeving vrienden die er net zo over denken. ‘Andere vrienden wilden zich ook hier vestigen, maar het is erg moeilijk om in deze economisch zwakke regio werk te vinden.’

‘De groep kenmerkt zich door losse verbanden,’ bevestigt Marius Hellwig van de Amadeu Antonio Stichting in Berlijn. Ook in andere delen van Duitsland groeit de beweging. ‘Een elite binnen rechts,’ zegt Hellwig. ‘Ze provoceren niet en lopen ook niet getatoeëerd met nazivlaggen te zwaaien. Ze gedragen zich voorbeeldig en wekken geen verdenking. Ze kennen elkaar uit de sfeer van de 
vakantiekampen van de Vikingjeugd. Hun gedachtegoed is völkisch. Maar de völkische beweging is ouder dan het nationaalsocialisme, al heeft dat veel van het gedachtengoed overgenomen.

Het concrete gevaar van zulke groepen acht Hellweg niet groot. ‘Het gevaarlijkste is waarschijnlijk dat de kinderen die er opgroeien zich niet vrij kunnen ontplooien. Ook dat is een vorm van geweld.’