Carnegie Middle East Center | Beiroet

Toen Islamitische Staat aan de macht kwam in delen van Syrië, beloofde de organisatie te breken met de corrupte praktijken van Assad. In werkelijkheid opereert de organisatie op exact dezelfde wijze, schrijft Midden-Oostenkenner Mohanad Hage Ali.

Sinds Islamitische Staat in 2014 een deel van Syrië in zijn greep kreeg, heeft het een bestuur opgezet dat als je de beweging mag geloven een lichtend voorbeeld is van efficiëntie, na eeuwen van barbarij en willekeur. De realiteit is een stuk minder rooskleurig. Informele praktijken – waaronder vooral wasta – de ‘kruiwagen’ ofwel vriendjespolitiek – zijn schering en inslag. Als het bestuur van de Islamitische Staat aan iets herinnert, dan is het wel aan het bewind van de familie Assad.

De informele netwerken in het IS-gebied werken grotendeels volgens de lijnen van bloedverwantschap, een gedeelde geboortestreek of vriendschappen. Deze relaties worden ingezet bij kwesties als de vrijlating van gevangenen, of om van specifieke diensten te kunnen profiteren. Wanneer de officiële instellingen van IS niet thuis geven, proberen mensen op andere manieren hun zin te krijgen. Bijvoorbeeld door hun relaties met kaderleden van de Islamitische Staat te benutten.

IS kent een drieledige institutionele structuur. Wereldwijd zijn er 35 regionale overheden, waarvan negentien in Syrië en Irak, de zogeheten wilayat (‘provincies’). Er zijn ook gespecialiseerde afdelingen in het leven geroepen, een soort ministeries, met meestal lokale kantoren , in gebieden die daadwerkelijk onder bestuur staan van de Islamitische Staat. Dan is er nog een netwerk van onafhankelijke instellingen, de Commissies en de Bureaus (Al-Hay’at wal-Makateb), waaronder het Bureau Externe Betrekkingen en Stammen, dat zich in Syrië vooral bezighoudt met stammenaangelegenheden in en rond de steden Raqqa en Deir ez-Zor.

Vriendjespolitiek

De kwestie rond de activist Khalifa maakt goed duidelijk hoe informele banden worden gebruikt om de instellingen van de Islamitische Staat te omzeilen. Khalifa, afkomstig van een stam uit Raqqa, werd door IS gearresteerd in Aleppo, waar hij woonde. Een rechtbank daar veroordeelde hem ter dood omdat hij zou hebben gewerkt voor een televisiezender van de seculiere Syrische oppositie (hetgeen niet waar was). Khalifa’s broer probeerde hem vrij te krijgen via de lokale vestiging van het Bureau Externe Betrekkingen en Stammen, maar vond daar geen gehoor. Familieleden gingen vervolgens op zoek naar iets wat ze gemeenschappelijk konden hebben met hoge ambtenaren in de Islamitische Staat. En jawel: een IS-gouverneur, of wali, bleek uit dezelfde regio afkomstig te zijn als zij. Dankzij tussenkomst van de vader van deze wali kwam Khalifa uiteindelijk vrij.

Ondanks het institutionele kader van de Islamitische Staat zochten de inwoners hun toevlucht tot wasta, een kruiwagen, precies zoals ze dat gewend waren onder het regime van Assad.

Ook binnen de instellingen van de Islamitische Staat zelf komt vriendjespolitiek voor, zij het in gelegaliseerde vorm. De organisatie is zich bewust van de negatieve bijklank van de term wasta, en heeft daarom het systeem van de tazkiya (letterlijk: aanbeveling) ingevoerd. Dit houdt in dat wie door de Islamitische Staat wordt ‘aanbevolen’, kan rekenen op een vorm van begunstiging. Wanneer bijvoorbeeld een stam die veel arbeidskrachten levert aan de IS tussenbeide komt namens een gevangene, zal deze waarschijnlijk een betere behandeling krijgen. Tijdens zijn gevangenschap in de stad Al-Bab merkte Khalifa dat het Bureau Externe Betrekkingen ervoor zorgde dat bepaalde mensen ‘beter werden behandeld, beter voedsel kregen, niet werden gemarteld en met regelmaat familiebezoek mochten ontvangen’.

Er zijn ook andere vormen van bevoordeling merkbaar. Voormalige bewoners van Raqqa en Deir ez-Zor, in Oost-Syrië, zeggen dat er sprake is van vriendjespolitiek bij de verdeling van de zakat, de traditionele aalmoezen voor de armen, die IS int via een belastingheffing. Medewerkers van de afdeling die zich bezighoudt met deze inning, de Diwan al-Zakat, bevoordelen vaak hun familieleden en verwante stammen met geld of voedsel. Mensen die om een persoonlijke of andere reden worden aanbevolen door een ambtenaar van de Islamitische Staat, kunnen eveneens rekenen op privileges.

Daarnaast geeft etniciteit aanleiding tot aantoonbaar nepotisme. Er tekent zich duidelijk een hiërarchie in de organisatie af. Mensen uit Irak of met Iraakse banden genieten een bevoorrechte positie, IS is immers in Irak ontstaan. Dit doet veel plaatselijke bewoners denken aan de ‘Qardaha-connectie’ van het Syrische regime, genoemd naar het geboortedorp van de familie Assad. Alawieten die daar vandaan kwamen, kregen vaak hoge functies in het Syrische staats- en veiligheidsapparaat.