Places Journal   | San Francisco  

De bevolkingsdichtheid van Australië is buitengewoon laag. Er is, volgens schrijver Tim Winton, meer landschap dan cultuur, meer lucht dan materie, meer rust dan beweging en meer ruimte dan tijd. Het blijft hem imponeren.

Ik ben opgegroeid op het grootste eiland ter wereld. Ik heb de neiging dat onloochenbare feit zo makkelijk te vergeten dat ik mezelf er zo nu en dan aan moet helpen herinneren. Maar in een tijdperk waarin een cultuur zichzelf vooral onderzoekt via de politiek en de ideologie, is dat vergeten van mij van zoiets basaals misschien niet zo verrassend. Onze gedachten zijn vaak elders. De materiële zaken van het leven, de organische en concrete krachten die ons vormen, worden over het hoofd gezien alsof ze onbelangrijk zijn of zelfs licht gênant.

Ons menselijk bestaan wordt in toenemende mate geregistreerd, gemeten, bediscussieerd en beschreven in abstracte termen. Misschien verklaart dat mede waarom iemand zoals ik, die eigenlijk beter zou moeten weten, kan vergeten dat hij een eilandbewoner is. Australië als fysieke plek wordt voortdurend overschaduwd door Australië als staat, Australië als economische onderneming. De kracht van dergelijke begrippen valt niet te ontkennen. Maar er zijn meer krachten aan het werk. Steeds vaker ben ik me bewust van de mate waarin geografie, afstand en weersomstandigheden mijn smaak, fantasie en verwachtingen hebben gevormd. Het eiland heeft niet alleen als achtergrond gediend. Met het landschap voel ik me net zo verbonden als met familie. Zoals zo veel Australiërs ervaar ik die tektonische aantrekkingskracht – een soort heimwee naar familie – het sterkst als ik in het buitenland ben.

Hybride Europees product

Toen ik in de jaren tachtig in Europa woonde, ging ik er abusievelijk vanuit dat ik me alleen door de taal en de geschiedenis onderscheidde van inwoners van de Oude Wereld, alsof ik eigenlijk een hybride Europees product was mijn opvoeding. Maar ik had mijn geografie te weinig eer toegekend, net als degenen die mij hadden onderwezen dat hadden gedaan. Dan heb ik het niet over wat ik had gelezen en wat niet – mijn fysieke reactie op een nieuwe omgeving bracht me van mijn stuk. Het was alsof mijn lichaam in opstand kwam. Buiten de grote steden en de lieflijke dorpjes van de Oude Wereld kreeg ik het gevoel dat mijn bedrading door de war lag. Ik had verwacht dat ik de oude monumenten zou waarderen en de natuur prachtig zou vinden, maar eigenlijk deed zich het tegenovergestelde voor. De immense schoonheid van veel gebouwen en stadsgezichten raakte me diep, maar in de natuur, waar ik me gewoonlijk het meest op mijn gemak voel, aarzelde ik. Hoewel ik echt onder de indruk was van wat ik zag, voelde ik me er lichamelijk en emotioneel niet mee verbonden. Omdat ik afkomstig ben uit een vlak en droog continent verheugde ik me op de hoge bergen en kolkende rivieren, welige valleien en vruchtbare vlaktes, maar toen ik dat alles in het echt zag, voelde ik er tot mijn verbijstering eigenlijk niets bij. Mijn voornamelijk Eurocentrische opvoeding had me voorbereid op een gevoel van herkenning, maar dat ervaarde ik niet zo – heel verwarrend. De schilderijen en gedichten over die plekken ontroerden me nog steeds, dus ik begreep niets van het merkwaardige ongeduld dat me bekroop als ik ze in werkelijkheid zag. Waren het geen schitterende landschappen en panorama’s? Ja, natuurlijk wel, hoewel soms een beetje te veel van het goede. Voor iemand die in een kaal landschap is opgegroeid zag dat er vaak te schattig uit; het was mooi, mierzoet zelfs. Ik had voortdurend het gevoel dat ik het niet begreep.

In de eerste plaats worstelde ik met de schaal. In Europa lijken de dimensies van de fysieke ruimte samengeperst. De dreigende verticale aanwezigheid van bergen ontnam me de horizon. Ik was het niet gewend om in zo’n ruimtelijke inperking te leven. Zelfs een stad met wolkenkrabbers ademt meer dan een besneeuwde bergketen. Bergen vormen een massieve barrière, een obstakel, zowel conceptueel als visueel als fysiek. Steile bergwanden rijzen niet gewoon omhoog. ze dringen zich op, maken zich groot en hun massiviteit is intimiderend. Voor een West-Australiër als ik, die gewend is aan vlak landschap, en die juist uit ruimte zijn energie haalt, is het effect claustrofobisch. Volgens mij was ik voortdurend intuïtief op zoek naar afstanden die er niet waren, mat ik eenvoudigweg te weinig ruimte om me heen.

In de tweede plaats, en dat was nog belangrijker, stoorde het me dat ieder landschap sporen droeg van menselijk handelen en technologie. Natuurlijk vind je ook in de meest afgelegen gebieden in Australië kenmerken van menselijke activiteiten – vroegere vuurregimes hebben leefgebieden gevormd en er zijn schilderingen en rotstekeningen gevonden op plekken waar nooit mensen lijken te hebben gewoond – maar vele aanpassingen, veranderingen en verfraaiingen door de Aboriginals zijn zo bescheiden dat ze nauwelijks opvallen; voor het ongeoefende oog zijn ze eigenlijk onzichtbaar. In Europa daarentegen zijn zelfs de indrukwekkendste en ogenschijnlijk meest verlaten landschappen onmiskenbaar veranderd. In de bergen lijkt achter iedere pas of bocht nog een tunnel te zijn, een kabelbaan, een chic resort, of barst het van de reflecterende verkeers- of reclameborden.