360 Magazine | Amsterdam

In zijn nieuwste boek After Europe, dat op 8 mei verschijnt, buigt politicoloog en New York Times-columnist Ivan Krastev zich over de toekomst van de Europese Unie. In deze exclusieve voorpublicatie schetst hij de gevaren van het uiteenvallen van de EU, maar ook een uitweg uit de crisis.  

In tegenstelling tot de Habsburgse monarchie is de Europese Unie een ‘democratisch rijk’, een quasifederatie van democratische staten die zich uit vrije wil hebben aangesloten, waarin de rechten en vrijheden van de burgers zijn vastgelegd, en waartoe alleen democratieën kunnen toetreden. Ondanks dit verschil draaien net als in de Habsburgse tijd de problemen in Europa weer om het vraagstuk van de democratie. In het Habsburgse geval was het volk in de ban van de democratie, in de EU van vandaag de dag is het volk zwaar gedesillusioneerd. Uit het onderzoek ‘Future of Europe’ uit 2012 blijkt dat slechts een derde van de Europeanen het idee heeft dat zijn of haar stem telt op Europees niveau, en waar het over het eigen land gaat, gelooft slechts een schamele achttien procent van de Italianen en vijftien procent van de Grieken dat hun stem iets uitmaakt.

Volgens recent onderzoek heeft de wereldwijde verspreiding van democratie in de afgelopen vijftig jaar er paradoxaal genoeg toe geleid dat de inwoners van een aantal schijnbaar stabiele democratieën in Noord-Amerika en West-Europa steeds kritischer zijn gaan kijken naar hun politiek leiders. Maar dat is nog niet alles. Ze zijn ook cynischer over de waarde van het democratische systeem, hebben er steeds minder vertrouwen in dat zij ook maar enige invloed kunnen uitoefenen op het beleid, en zijn in toenemende mate bereid zich achter autoritaire alternatieven te scharen.

Ook blijken ‘jongere generaties minder overtuigd van het belang van democratie’ en voelen ze zich ‘minder betrokken bij de politiek’.

Met die wetenschap in het achterhoofd kunnen we stellen dat er geen sprake kan zijn van een politieke unie die met een gemeenschappelijk fiscaal beleid de euro overeind kan houden, zolang de lidstaten honderd procent democratisch zijn. Er is domweg onvoldoende draagvlak. Maar het uiteenvallen van de gezamenlijke munteenheid zal leiden tot het uiteenvallen van de unie, met als een van de waarschijnlijke gevolgen een opkomst van autoritaire regimes aan de randen van Europa. Voor het eerst in de geschiedenis botst het streven van een ‘hechter Europa’ met dat van een ‘stevigere democratie’.

De Griekse crisis

Veel Europese liberalen maken zich zorgen dat democratisch bestuur het Europese project zou kunnen ondermijnen. In hun ogen heeft George Orwell het misschien wel het beste onder woorden gebracht: ‘De publieke opinie is van nature niet verstandiger dan mensen van nature goed zijn.’

De huidige angst manifesteert zich nergens zo duidelijk als in de manier waarop de Europese leiders zich opstellen tegenover het grootste slachtoffer van de financiële crisis: Griekenland. Griekenland, dat vruchteloze pogingen doet om een niet-competitieve economie draaiende te houden, terwijl de kosten van de sociale zekerheid onverminderd hoog blijven en er sprake is van een stuitende corruptie, bevond zich in stormachtig weer. In een orkaan, zelfs. In het decennium voorafgaand aan de crisis waren in Europa de lonen per werknemer met dertig procent gestegen, terwijl ze in Griekenland een vlucht hadden genomen van maar liefst vijfentachtig procent. In de publieke sector was het nog erger: een stijging van veertig procent in de EU, tegen honderdzeventien in Griekenland. In de zomer van 2011 was duidelijk dat alleen de EU Griekenland nog kon redden van een faillissement en het land binnen de eurozone zou kunnen houden. Maar die hulp zou duur betaald worden – zowel in politiek als in menselijk opzicht – doordat het land aan zeer strenge regels werd gehouden. Op 31 oktober 2011 schreef de Griekse premier Papandreou een referendum uit over een plan tot uittreding, opgesteld door de Europese Unie, de Europese centrale bank en het IMF. Hij riep zijn landgenoten op zich achter de bezuinigingsmaatregelen te scharen die de schuldeisers hadden opgelegd. Het was de prijs die moest worden betaald om in de eurozone te kunnen blijven.

Maar het referendum bleef uit. Drie dagen na de aankondiging kwam de Griekse regering ervan terug, na scherpe kritiek uit Berlijn en Brussel. In plaats daarvan werd er over de hervormingen gestemd in het parlement.

Enkele jaren later kwam Alexis Tsipras met zijn radicaal linkse Syriza opnieuw met een referendum. De Grieken stemden op 5 juli 2015. Zoals Tsipras’ regering had gehoopt, verwierp een overgrote meerderheid de voorwaarden die waren verbonden aan een nieuwe, derde reddingsoperatie van de zogeheten Troika: het IMF, de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie. Maar het heroïsche verzet tegen de schuldeisers hield niet langer dan een week stand. De maandag daarop moest Tsipras nog stringentere voorwaarden slikken. Hij zag zich genoodzaakt maatregelen door te voeren die hij niet veel eerder nog ‘misdadig’ had genoemd.

De tijdelijke oplossing voor de Griekse crisis was op een wezenlijk vlak bijzonder leerzaam. Om de gemeenschappelijke Europese munt overeind te houden, moesten inwoners van de schuldenlanden het recht worden ontzegd om het economische beleid te beïnvloeden, terwijl ze wel het recht behielden een andere regering te kiezen. Het was de krachtigste indicatie dat het belangrijkste principe van de EU – beleid zonder politiek in Brussel en politiek zonder beleid op nationaal niveau – door de crisis was versterkt. In het licht van wat er was gebeurd, werd duidelijk dat Tsipras en Yanis Varoufakis (tot juli 2016 minister van Financiën) zich niet zozeer verzetten tegen het beleid dat de schuldeisers voorstonden, maar vooral tegen de verantwoordelijkheid erin mee te gaan. De Griekse welvaartsstaat werd een oorlogsstaat. De overheid was niet in staat de welvaart te herverdelen, dus probeerde ze uit alle macht de verantwoordelijkheid te herverdelen.