Clarín | Buenos Aires

Boodschappen doen is een dagelijks gevecht in het noodlijdende Venezuela. Een gezin heeft negentien minimuminkomens nodig om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien. En zelfs dan is het nog maar de vraag of er iets te krijgen is.

De vrouw kijkt met gefronste wenkbrauwen naar de display van de kassa in de supermarkt, terwijl de caissière de boodschappen langs de scanner schuift. Als ze ziet dat het totaalbedrag de 32.000 bolivar (ongeveer 8 dollar) overschrijdt, zegt ze gelaten: ‘Haal de avocado’s er maar af.’ Dat is 6000 bolivar minder, maar dan is ze er nog niet. ‘De appels ook maar.’ Nog eens 5000 eraf. ‘Ja, wat dacht je dan man, dat is peperduur! Leg die olijven 
ook maar terug,’ zegt een andere klant achter in de rij. Het totaal zakt uiteindelijk naar 17.000 bolivar, ofwel 4 dollar. Boodschappen doen voor het huishouden is een dagelijks gevecht van vergelijken en bezuinigen.

De dagelijkse levensbehoeften werden in maart van dit jaar door Cendas, het centrum voor sociale analyse en documentatie van de Venezolaanse Onderwijsfederatie, op 772.614 bolivar per jaar gesteld. Dat is ongeveer 190 dollar op de zwarte markt (1 dollar is 4000 bolivar), de enige wisselmarkt waar de mensen 
terecht kunnen, want de officiële (700 
bolivar) is alleen voor transacties van het bedrijfsleven en de overheid. Dat cijfer betekent een prijsverhoging van 440 procent ten opzichte van dezelfde maand in het vorig jaar. 
Uitgaande van het minimumloon zoals in januari van dit jaar vastgesteld, zou een gezin negentien minimuminkomens nodig hebben om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien.

Bij de McDonald’s kost het goedkoopste menu 8000 bolivar, een vijfde van het minimumloon