New Statesman | Londen

In de jaren negentig was Groot-Brittannië met zijn jonge premier Tony Blair en bands als Oasis en Blur even het coolste land op aarde. Twintig jaar later is het boos en verbitterd. Journalist John Harris blikt terug.

‘Opzij, opa, je staat de Scene in de weg! De Londense Scene! Van Soho tot Notting Hill, van Camberwell tot Camden Town, overal in de hoofdstad van het goede oude Engeland zijn de positieve vibraties voelbaar van een gigantische jeugdbeving!’

De woorden komen uit een nummer van Vanity Fair uit maart 1997, dat was opgebouwd rond een 25 pagina’s tellend artikel getiteld ‘Swinging London Mark II’. Op het omslag prijkten leadzanger Liam Gallagher van Oasis en zijn aanstaande vrouw Patsy Kensit, liggend op een bed dat was bedekt met Britse vlaggen; binnenin stonden odes aan de designerfamilie Conran, modeontwerper Alexander McQueen, de Spice Girls, een scala van restauranthouders en modellen en de toenmalige leider van de oppositie.

Een foto van Tony Blair stond op pagina 143. Daarbij was gebruikgemaakt van een techniek waardoor alles verzadigd was van kleur en mensen een fel licht uitstraalden. Blairs enorme glimlach was begeesterend, net als de kop. Twee maanden voor de verkiezingen was hier ‘De visionair’, de man die zijn partij een duizelingwekkende voorsprong van 21 procent op de Conservatives had bezorgd en een nieuw Brits optimisme leek te belichamen. ‘Zeg hallo tegen Tony Blair met zijn korte mouwen en zijn brede glimlach, de leider van de opkomende Labour Party’, luidde het commentaar. ‘Tony is pas 43 en ziet er precies zo uit.’

V.l.n.r. (als u doorklikt) De beroemde cover van Vanity Fair, Tony Blair met gitaar, Paul Smith, een cover met Oasis en Geri Halliwell van The Spice Girls. – © HH