New Scientist | Londen

Uw kat ligt de hele dag te slapen op de bank, en toch loopt hij Usain Bolt er makkelijk uit. Hoe slagen dieren erin in conditie te blijven zonder noemenswaardige training?

De meer dan 40.000 hardlopers die onlangs aan de start van de Londense marathon 
verschenen, zullen zich stiekem afgevraagd hebben waar ze aan waren begonnen. Al heb je je nog zo goed aan je trainingsschema gehouden, 42 kilometer rennen doet pijn.

Nee, dan de brandgans. Diens voorbereiding op zijn drieduizend kilometer lange trek zou voor ons net zoiets zijn als lui op de bank vis en patat eten.

Maandenlange noeste trainingsarbeid, om dan vlak vóór de grote dag een stapje terug te doen? Daar doet de brandgans niet aan. Volgens milieufysioloog Lewis Halsey van de Universiteit van Southampton ‘zitten ze gewoon op het water non-stop te eten’.

Pas sinds kort onderzoeken wetenschappers hoe dit kan. Niemand had zich nog de vraag gesteld of bij dieren conditie en trainingsactiviteit even sterk 
met elkaar samenhangen als bij de mens. Maar nu hebben die ogenschijnlijk luie dieren, die toch soms een enorm uithoudingsvermogen aan de dag leggen, dan eindelijk de interesse van een handjevol wetenschappers gewekt.

Vaak wordt aangenomen dat wilde dieren, doordat 
ze tijdens het zoeken naar voedsel en het ontsnappen aan roofdieren zo veel bewegen, topfit zijn. Halsey schreef onlangs een stuk in het Journal of Animal Ecology met de provocerende titel ‘Do animals exercise to keep fit?’. Hij liet zien dat het antwoord vaak nee luidt.

Omgevingsfactoren

Kijk maar naar onze goede oude huiskat. De meeste katten liggen het grootste gedeelte van de dag te 
luieren en doen nauwelijks iets. Maar zelfs de luiste kat loopt Usain Bolt er over korte afstanden gemakkelijk uit. Al dat geslaap lijkt hun natuurlijke beweeglijkheid nauwelijks te hinderen als er 
plotseling een hond in de tuin opduikt. En zwarte 
en bruine beren komen uit een maandenlange 
winterslaap tevoorschijn met intacte spiermassa – 
al hebben ze nauwelijks bewogen.

De brandgans doet daar zelfs een schepje bovenop. Ondanks hun zittende leventje houden ze niet alleen hun conditie op peil, hun hart wordt zelfs sterker, 
ze krijgen grotere vliegspieren en bouwen op de een of andere manier voldoende conditie op om in twee dagen duizenden kilometers te migreren.

Maar als deze fysieke hoogstandjes niet aan training te danken zijn, waaraan dan wel? Om dat te verklaren, moet het begrip fysieke conditie ruimer worden opgevat. ‘Fit zijn’ wil biologisch gezien zeggen dat het lichaam veranderingen heeft ondergaan waardoor het sterker en efficiënter is geworden. Bij mensen worden zulke veranderingen door training in gang gezet. Bij dieren als beren en trekvogels daarentegen lijkt een wisseling van seizoen het lichaam voor te bereiden op een komende uitdaging. Voor beren 
kunnen een dalende temperatuur of voedselschaarste dus signalen zijn. Maar wat het signaal ook is, het stimuleert de aanmaak van stofjes in het bloed die de spieren beschermen. In experimenten waarin spieren van ratten in het bloed van beren in winterslaap 
werden gelegd, nam het verlies van spierweefsel met veertig procent minder af dan bij spieren die in bloed van beren lagen die niet in winterslaap waren.

Halsey gaat ervan uit dat ook brandganzen reageren op veranderingen in omgevingsfactoren als temperatuur, waardoor hun lichaam ‘weet’ dat ze fysiek 
op de proef gesteld zullen worden en ze dus aan moeten komen.