Mail & Guardian | Johannesburg

Tot voor kort kende Namibië geen eigen artsenopleiding. Maar de aidsepidemie van begin deze eeuw onderstreepte het belang van lokaal opgeleide dokters. Onlangs studeerden de eersten van hen af.

Na een reis van drie uur, eerst met twee taxi’s en het laatste stuk hotsend en botsend in de laadbak van een oude pick-uptruck, kwam Simon Antindi aan bij het staatsziekenhuis waar zijn vader was opgenomen. De elfjarige jongen kon zijn ogen nauwelijks geloven. Het ziekenhuis in Oshakati, in het uiterste noorden van Namibië, was het grootste bouwwerk dat hij ooit had gezien: een verzameling lage groene en blauwe gebouwen die naar alle kanten uitwaaierden. Eenmaal binnen dwaalde hij door een doolhof van gangen en ziekenzalen vol patiënten en bezorgde bezoekers. Artsen fluisterden met elkaar in vreemde talen en er hing een zurige geur – een mengeling van schoonmaakmiddel en braaksel.

En dan zijn vader. Nog nooit had die er zo hulpeloos bij gelegen. ‘Op dat moment wist ik dat ik dokter wilde worden,’ zegt Antindi, inmiddels 31 jaar oud. Maar de gedachte was nog niet in hem opgekomen of hij schoof haar alweer terzijde. ‘Niemand in mijn dorp, of zelfs daarbuiten, werd dokter.’ Terwijl Antindi om zich heen keek naar de Cubanen, Russen en Zuid-Afrikanen die zich over de patiënten ontfermden, dacht hij ontmoedigd: misschien doen Namibiërs dit soort werk niet. Misschien kunnen wij dit niet. In een oogwenk was zijn droom weer vervlogen.

De landen bezuiden de Sahara dragen 25 procent van de wereldwijde ziektelast, maar tellen slechts 3,5 procent van het totale aantal gezondheidswerkers en maar 1,7 procent van alle artsen