Mail & Guardian – Johannesburg

Nieuwe vormen van muziek die zich wijd verspreiden, maar ook het ontwikkelen van een systeem om afvalwater te zuiveren: naast alle misère barsten de Afrikaanse sloppenwijken ook van creativiteit en zelfredzaamheid.

In een van de uitzendingen van 
A Richer World van de BBC sprak de gerenommeerde Zweedse statisticus Hans Rosling over hoe West-Afrika de uitbraak van ebola heeft weten te bedwingen. Zijn fascinerende presentatie toonde onder meer aan hoe de loop der dingen in een Afrikaanse sloppenwijk een drastische wending kan nemen. Soms pakt het slecht uit, zoals in het geval van ebola. Andere keren gaat het juist goed, bijvoorbeeld als het cultuur betreft. Neem semba, het soort aanstekelijke muziek dat zelfs de schuchterste toeschouwers de dansvloer opdrijft. Het 
is een mengeling van opzwepende Afrikaanse ritmen, samba en Caraïbische zouk die zijn naam dankt aan 
het enkelvoud ‘masemba’, wat ‘buikcontact’ betekent.

Vernieuwingsdrift

Semba ontstond in het begin van de jaren zestig in de sloppenwijken of musseques van Luanda, de hoofdstad van Angola. Dankzij hervormingen in het koloniale beleid zagen de inwoners hun dagelijkse leven verbeteren en overal in de stad ontstonden nieuwe culturele centra. Semba, een lokale vorm van populaire stadsmuziek, was een boegbeeld van deze positieve ontwikkelingen. Sterker nog: als je het over hedendaagse Angolese muziek wilt hebben, kun je niet om semba heen. Ook buiten Angola is semba immens populair, vooral in de Portugeestalige landen en in West-Afrika.