Onder druk van hun ouders moeten scholieren in de VS steeds harder werken, zo stellen onderzoekers. Dat leidt tot angsten, slaapgebrek en zelfs het gebruik van pepmiddelen. Gaan Amerikaanse ouders te ver?

Frank Bruni: Ja

Bij het lezen van het zojuist verschenen boek Overloaded and Underprepared kreeg ik soms medelijden met Amerikaanse middelbare scholieren. De meest ambitieuze onder hen doen er alles aan om maar beter te zijn dan de rest. Sommige gebruiken pepmiddelen als Aldenall. Anderen spieken. Maar het meest aangrijpende was wel wat ik las over slaap. Zolang je nog niet volwassen bent moet je goed slapen. Anders ga je er geestelijk aan onderdoor. Maar veel tieners zijn tegenwoordig zo opgefokt en gestrest dat ze bij lange na niet genoeg uitrusten. In het boek komt een middelbare school in Silicon Valley voor die slaapexperts van buitenaf inhuurde, een soort slaapcurriculum opstelde en leerlingen opleidde tot ‘slaapambassadeurs’. Allemaal om maar een oog dicht te kunnen doen. Slaapambassadeurs? Zelf ging ik in de tachtiger jaren naar de middelbare school, in een omgeving die destijds als veeleisend gold. Het enige slaapprobleem waar ik en mijn medeleerlingen mee kampten was dat we ons versliepen, waardoor we te laat op school kwamen. Nu is het andersom: het probleem is niet meer hoe je tieners hun bed uit krijgt, maar hoe je ze kunt laten pitten. Dat geeft aan hoe – onder een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen tenminste – opgroeien is verworden tot een exact uitgestippelde, op status gefixeerde en soms ronduit geestdodende race. Het boek, geschreven door Denise Pope, Maureen Brown en Sarah Miles, kijkt naar de hoeveelheid huiswerk, de opbouw van een schooldag en nog veel meer. Het is het laatste in een reeks boeken die vraagtekens zetten bij de overdreven bemoeizucht van ouders, het teveel aan bijlessen, de al te intensieve voorbereiding op gestandaardiseerde tests en dergelijke uitwassen. Een overkoepelend thema van het genre is: ‘genoeg is genoeg’. Volgens Denise Pope, professor pedagogiek aan Stanford University, komt er een moment dat je moet zeggen: nee, dit wordt te gek. De waanzin beperkt zich niet tot een gebrek aan slaap, maar dit thema illustreert wel perfect de trend dat er bij het opgroeien steeds minder plek is voor spontaneïteit en speelsheid, omdat alles moet wijken voor ‘de druk van 
de perfectie’. Een recent artikel in The New York Times beschreef zes zelfmoorden in dertien maanden op de 
Universiteit van Pennsylvania, de angstigheid en depressies die heersen op college-campussen en het onvermogen van veel uitblinkers om ook maar de kleinste tegenslag te verwerken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze studenten gewoon behoefte aan slaap. In een recent onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Pediatrics gaf 55 procent van de Amerikaanse tieners van tussen de 14 en 17 jaar aan minder dan zeven uur per nacht te slapen, terwijl de National Sleep Foundation hun wel acht tot tien uur aanraadt.

Frank Bruni is opinieredacteur van The New York Times. Hiervoor werkte hij als restaurantcriticus voor dezelfde krant. Hij schreef boeken over de liefde van zijn familie voor eten en over George W. Bush.

Robert Pondiscio: Nee

Over het onderwijs wordt eindeloos gediscussieerd: over de hoeveelheid huiswerk, wiskundeonderwijs, straf op school en nog een aantal hete hangijzers. Zo nu en dan laaien deze discussies op en bedaren dan weer, zonder dat ze ooit afgesloten of beslist worden. Een van die eeuwige twistpunten is opeens terug van weggeweest: de mythe van het overbelaste kind. Opgetogen begroette _New York Times_–columnist Frank Bruni het verschijnen van een golf aan nieuwe boektitels over het onderwerp, met als overkoepelend thema: ‘genoeg is genoeg’. Hij beweert dat de Amerikaanse jeugd in een snelkookpan van overbelasting en stress moet opgroeien, 
al is daar in onderzoeksresultaten weinig van terug te zien. In 2006 bijvoorbeeld gingen psycholoog Joseph Mahoney en zijn collega’s na hoeveel tijd kinderen precies aan sportwedstrijden en -trainingen, religieuze activiteiten, vrijwilligerswerk, naschoolse activiteiten en andere verplichtingen besteden. Gemiddeld was het vijf uur per week. Zo’n veertig procent van de tieners deed doordeweeks helemaal niet mee aan georganiseerde activiteiten. Waar zijn die overbelaste uitblinkertjes eigenlijk? Niet meer dan zes procent van de Amerikaanse tieners neemt wekelijks twintig uur of meer deel aan buitenschoolse activiteiten, en zelfs deze overdrijvers blijken uiteindelijk beter af te zijn dan degenen die er helemaal niet aan doen. ‘De bewering dat buitenschoolse programma’s te zwaar zouden zijn, is overdreven,’ aldus professor Mahoney. ‘Relatief weinig jongeren hebben te veel naschoolse verplichtingen en zelfs zij doen het in alle stadia van hun jeugd op allerlei vlakken beter dan jongeren die helemaal nergens aan meedoen,’ benadrukt hij. Toen ze in 2012 opnieuw gingen kijken, bleek dat bij hen de gunstige effecten van extra–
curriculaire activiteiten ook als jongvolwassen nog merkbaar waren. ‘Ze hadden minder last van spanningen, hun studieresultaten waren beter en ze waren maatschappelijk meer betrokken.’ Er bestaat een wijde kloof tussen het 
beeld van de overbelaste Amerikaanse tiener in de media 
en de werkelijke situatie. Bruni geeft zelf al aan dat de overbelasting vooral een probleem vormt voor ‘een ambitieus 
en bevoorrecht deel van de Amerikanen’. Ik geloof graag dat in veel gezinnen kinderen inderdaad onder grote druk staan om te presteren en veel te bereiken. Maar veel zorgelijker zijn de vele Amerikaanse kinderen die veel te weinig worden uitgedaagd, niet over lesmateriaal van academisch niveau beschikken en nauwelijks kansen of mogelijkheden hebben om aan buitenschoolse activiteiten mee te doen. Het zou jammer zijn als de zorgen omtrent een kleine bevoorrechte groep – hoe gegrond ook – zonder meer worden betrokken op de rest. Onderzoeksresultaten spreken duidelijke taal: de meeste kinderen hebben behoefte aan meer verdieping en uitdaging, niet aan minder.

Robert Pondiscio is voormalig journalist en onderwijsspecialist. Hij adviseert scholen in de New Yorkse wijk Harlem en schrijft regelmatig opiniestukken voor o.a. The Wall Street Journal en The Atlantic.