The Economist | Londen

De liberale Britse Economist wijst een basisinkomen niet principieel af. Maar het kost volgens het blad gewoon te veel geld.

Nu regeringen overal ter wereld op zoek zijn naar manieren om op de sociale zekerheid te bezuinigen en hun tekorten te verminderen, lijkt het misschien een vreemd moment om na te denken over een nieuwe en genereuze uitkeringsregeling. Toch maakt het basisinkomen – een gegarandeerde overheidsuitkering aan alle burgers, ongeacht hun rijkdom – kruipenderwijs zijn opwachting op de politieke agenda. De Zwitsers gaan na een geslaagde volkspetitie binnenkort stemmen over een basisinkomen van 2500 frank per maand. Yanis Varoufakis, de voormalige minister van Financiën van het roerige Griekenland, was een voorstander. De Britse Green Party had een variant erop in haar programma op-
genomen. Alle uitkeringen vervangen door een basisinkomen zou onbetaalbaar worden. Maar als onderdeel van het sociale vangnet zou het kunnen werken. 
Het idee heeft een lange intellectuele voorgeschiedenis. In 1797 schreef Thomas Paine, een van de stichters van Amerika, een pamflet waarin hij betoogde dat iedereen recht heeft op een aandeel in de opbrengst van het gemeenschappelijk bezit van de mensheid: het land en de natuurlijke hulpbronnen van de aarde. Vandaag de dag zouden de etherfrequenties of de winst van de centrale banken daaraan kunnen worden toegevoegd. In ruil voor hun aandeel in de planeet stelde Paine voor de burgers op hun eenentwintigste verjaardag het equivalent van 2000 dollar te betalen, in die tijd meer dan de helft van het inkomen van een arbeider. Dit bedrag zou aan iedereen worden uitgekeerd, om ‘jaloezie’ tussen rijk en arm te vermijden. Sinds het voorstel van Paine heeft het idee van een algemene uitkering – of deze nu eenmalig was of periodiek – regelmatig op steun kunnen rekenen van beide zijden van het politieke spectrum.

Sociaal vangnet

Links heeft een dergelijk beleid meestal gezien als een manier om het sociale vangnet te versterken en de ongelijkheid terug te dringen. Dat is vooral aantrekkelijk in een wereld waarin de technologie sommigen onvoorstelbaar rijk maakt maar anderen met werkloosheid bedreigt. Al in 1964 betoogde de econoom James Meade dat de technologische vooruitgang de vraag naar werk zozeer kon doen afnemen dat een ontoelaatbare loonsverlaging het gevolg zou zijn. In een wereld waarin een computer een beroep plotseling overbodig kan maken, kunnen mensen die altijd hard hebben gewerkt niet langer op een fatsoenlijke levensstandaard rekenen. Dat zou een genereuzere ondersteuning van staatswege kunnen rechtvaardigen. 
Rechtse pleitbezorgers van het basisinkomen zien dit als een gestroomlijnde vervanging voor een ingewikkeld en inkomens-
afhankelijk uitkeringsstelsel. Een systeem waarin iedereen hetzelfde bedrag ontvangt brengt minder bureaucratische rompslomp met zich mee. Bestaande regelingen ontnemen kleinverdieners bepaalde uitkeringen zodra hun inkomen stijgt, zodat het zoeken naar werk wordt ontmoedigd en 
sommigen in een armoedeval belanden. Om deze reden wilde Milton Friedman, een econoom die bekendstond als voor-vechter van het vrijemarktkapitalisme, de gehele sociale zekerheid vervangen door een eenvoudiger systeem dat een gegarandeerd minimuminkomen combineerde met een vlaktaks. 
Hoewel het basinkomen tot dusver nog geen ingang heeft gevonden, heeft het wel een in brede kring geaccepteerd neefje: de belastingvrije voet. In Groot-Brittannië wordt bijvoorbeeld pas belasting geheven vanaf een bedrag van 10.600 pond, beginnend met 20 procent. Dat komt neer op een vrijstelling van iets meer dan 2000 pond per jaar voor de 92 procent die meer verdient dan de belastingvrije voet. Voor hen zou het geen verschil maken als de regering die vrijstelling verving door een bedrag van dezelfde omvang. Zo’n bedrag aan alle burgers uitkeren zou kostbaarder zijn, maar zou kunnen worden gefinancierd uit het beperken van andere uitkeringen. 
Toch kun je 2000 pond niet bepaald een sociaal vangnet noemen, en genereuzere regelingen zijn enorm duur. 
In 1970 kwam de econoom James Tobin met een eenvoudige formule om de kosten daarvan te berekenen. Stel dat een regering 25 procent belasting moet heffen voor het financieren van overheidsdiensten als onderwijs, politie en infrastructuur. Het betalen van een basisinkomen dat 10 procent van het gemiddelde inkomen bedraagt vereist een verhoging van de gemiddelde belastingschaal met 10 procent, tot 35 procent. Voor een basisinkomen 
dat 20 procent van het gemiddelde inkomen bedraagt moet de gemiddelde belastingschaal opnieuw met 10 procent worden verhoogd, tot 45 procent, enzovoort. Om een einde te maken aan de relatieve armoede, die wordt gedefinieerd als een inkomen van minder dan 60 procent van het gemiddelde, zou een gemiddelde belastingschaal van tegen de 85 procent moeten worden ingevoerd. Het Zwitserse voorstel is absurd duur: volgens een ruwe berekening zou het ongeveer 197 miljard Zwitserse frank kosten, oftewel 30 procent van het bnp. Een genereus basisinkomen dat wordt gefinancierd door zeer hoge belastingen zou zichzelf om zeep helpen, omdat het weer dezelfde misstanden zou creëren die veel voorstanders ervan nu juist uit het socialezekerheidsstelsel willen weren. Luiwammesen zouden een comfortabel leventje kunnen leiden zonder een vinger uit te steken.