Christian Science Monitor | Boston

Toen zijn broer werd doodgeschoten tijdens de tweede Palestijnse intifada, wilde Ali Abu Awwad wraak. Tegenwoordig is hij pacifist, en gaat hij de dialoog aan met Joodse kolonisten.

We schrijven het jaar 2000 – de tweede Palestijnse intifada is net begonnen. Ali Abu Awwad zit in Saoedi-Arabië, waar hij herstellende is van een Israëlische drive-by shooting. Daar krijgt hij te horen dat zijn broer Youssef van dichtbij door een Israëlische soldaat door het hoofd is geschoten. ‘Hij heeft ons een zoon en een dochter nagelaten, en een enorme hoeveelheid verdriet, gemis en woede,’ zegt Abu Awwad. Een deel van hem hongert naar wraak. ‘Maar dan dringt zich de vraag op: Hoeveel mensen moet ik vermoorden? Hoeveel Israëli’s moeten er dood om deze pijn weg te nemen?’ Op dat moment neemt zijn moeder, een Palestijnse activiste die nauwe banden onderhoudt met Yasser Arafat, een opmerkelijk initiatief. Ze nodigt een aantal Israëli’s uit die hun kind zijn verloren. ‘Ik vond het een schok om een Israëli te zien huilen,’ zegt Abu Awwad, die als tiener tien 
jaar gevangenisstraf kreeg voor zijn betrokkenheid bij de eerste Palestijnse Intifada. ‘Ik had geen benul dat Joden ook tranen hebben.’ 
Sindsdien is Abu Awwad een groot pleitbezorger van geweldloosheid als middel om een einde te maken aan de Israëlische bezetting. Hij heeft meer dan tien jaar samengewerkt met vredes-
organisaties en hij is zelfs de wereld over gereisd met een Israëlische moeder wier zoon, een vredesactivist, door een Palestijnse sluipschutter om het leven is gebracht. Maar de afgelopen jaren is hij tot de conclusie gekomen dat de vrede niet zal worden gesloten door de Israëli’s die hun wortels hebben in Tel Aviv, een kosmopolitische stad ver van de gewapende strijd.

Ali Abu Awwad met zijn dochter, die net een douche heeft genomen uit de watertank in zijn tuin. – © Nati Shohat / HH