Hürriyet  | Istanboel  

De Turken kunnen in november voor de tweede keer dit jaar naar de stembus. De uitslag van de verkiezingen in juni beviel de president niet.

Op 21 augustus kondigde president Tayyip Erdogan aan dat Turkije op 1 november weer naar de stembus gaat voor nieuwe 
verkiezingen die een nieuw parlement moeten opleveren. Hier heeft Erdogan naar verluidt sinds de vorige verkiezingen van 7 juni al naar uitgekeken. Op die dag verloor zijn partij, de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP), na dertien jaar haar meerderheid in het parlement. Voor veel Turken was het duidelijk dat het electoraat zich had uitgesproken voor een coalitieregering. Maar voor Erdogan en zijn getrouwen betekende de uitkomst dat de kiezers een ernstige vergissing hadden begaan die zo snel mogelijk moest worden rechtgezet.

Die ‘vergissing’ betrof natuurlijk de enorme daling van AKP-stemmen: 
van 50 procent in 2011 naar 41 procent deze zomer. In regeringsgezinde media betoogden commentatoren dat dit een ‘onbedoeld’ resultaat was. Het electoraat had de AKP ‘een waarschuwing’ willen geven vanwege de vele schandalen, maar was hierin iets te ver doorgeschoten. De ochtend na de verkiezingen hadden de kiezers al spijt dat ze ervoor hadden gezorgd dat de AKP tot ieders treurnis haar absolute macht had verloren. 
Om die reden kon deze misstand alleen maar worden rechtgezet door nieuwe verkiezingen uit te schrijven.

De Turkse president Erdogan (m) eind augustus bij de herdenking van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog in Ankara. © Murat Cetinmuhurdar / Getty Images