The New York Times  | New York

Waar in West-Europa brede steun bestaat voor het opvangen van vluchtelingen, is dat in het Oosten wel anders. Ivan Krastev legt uit waar die houding vandaan komt.

Naar aanleiding van de migrantenstroom die zich onafgebroken via Hongarije naar Oostenrijk en Duitsland begeeft, zei een Hongaarse journalist laatst tegen me: ‘We hebben geen steden meer. Alleen één groot treinstation.’ Twintig jaar geleden waren Hongarije en zijn Oost-Europese buren samenlevingen in transitie, in de overgang van een communistisch naar een democratisch bestel, en sommige – Bulgarije, Macedonië, Servië – zijn dat nog steeds. Nu zijn deze transitionele landen in één klap transitlanden geworden. Het gevolg is dat Europa zich niet alleen zorgen moet maken over de instroom van honderdduizenden migranten, maar ook over de wig die deze crisis drijft tussen zijn oostelijke en zijn westelijke helft.

De ‘vrachtwagen van de schande’ in Oostenrijk en de taferelen van verdronken migranten hebben in veel West-Europese landen een golf van compassie teweeggebracht. Zestig procent van de Duitsers steunt het regeringsbesluit om 800.000 vluchtelingen, oftewel bijna 1 procent van de Duitse bevolking, op te vangen. Maar in Oost-Europa blijft het publiek onaangedaan, en leiders daar zijn fel van leer getrokken tegen de Brusselse beslissing om vluchtelingen te herverdelen onder de lidstaten van de Europese Unie. De meerderheid binnen de transitlanden staat achter het bouwen van muren langs hun grenzen; uit een recente peiling in Tsjechië blijkt dat 44 procent wil dat de regering geen kroon extra besteedt aan de hulp aan migranten. Premier Robert Fico van Slowakije ging nog verder door te beweren dat 95 procent van de asielzoekers geen vluchtelingen waren maar economische migranten, en dat zijn land alleen bereid zou zijn christenen te ontvangen. Het ontstellendst is misschien een uitgelekte e-mail van de Hongaarse publieke omroep, waarin journalisten werd gevraagd geen beelden van kinderen van migranten te tonen. Beelden van lijdende kinderen, zo lijkt de Hongaarse regering te vrezen, zullen het hart van haar bevolking doen smelten en – God verhoede – compassie wekken.

Oost-Europeanen geloven dat zij degenen zijn die geholpen moeten worden