Die Zeit | Hamburg

Theo Padnos is een oude bekende van 360. Hij werd meer dan twee jaar gegijzeld door het aan Al-Qaida gelieerde Al-Nusrafront, en zijn indrukwekkende relaas was een van onze meest gewaardeerde verhalen van 2014. Daarin noemt hij zijlings de mislukte bekering van medegevangene Matthew Schrier en diens geslaagde ontsnapping. Maar niet hoe zij temidden van het geweld en de voortdurende angst om te worden vermoord, elkaar ook nog eens naar het leven stonden. Die Zeit krijgt de twee zo ver voor één keer over hun incompatibilité te praten. Op één voorwaarde: ze willen onder geen beding samen in een ruimte worden geïnterviewd. 

Theo Padnos is Amerikaan, doctor in de literatuurwetenschap, journalist. Een slanke man van 46 jaar met halflang, grijzend haar. Op een warme zomerdag zit hij op een achterplaats in het 11e arrondissement van Parijs. Padnos draagt een korte broek en teenslippers, zijn racefiets heeft hij klaargezet om te gaan trainen. Wielrennen, zijn passie, heeft hem na een gijzeling van 22 maanden in Syrië weer fit gemaakt. Padnos praat zacht, kiest zijn woorden zorgvuldig, meestal in het Engels, maar soms schakelt hij moeiteloos over op het Frans, Duits of Arabisch.

Theo Padnos:
In oktober 2012 was ik in Syrië om research te doen voor mijn journalistieke werk. Een paar jonge Syriërs die ik in Turkije had ontmoet, zeiden dat ze me wel de grens over wilden brengen. We waren de grens nog maar net over, of ik kreeg een paar meppen en werd in de boeien geslagen. Niet veel later werd ik overgedragen aan de terroristen van het Al-Nusrafront, de Syrische tak van Al-Qaida. De Al-Nusrastrijders sloten me op in een kelder van zeven bij 
vier meter, met een houten deur en een klein raampje net onder het plafond. Voor het raampje lagen zandzakken, die nauwelijks licht doorlieten. De eerste weken sloegen ze me met dikke kabels. Ze riepen: ‘Wie heeft je naar Syrië gestuurd?’ Ik zei: ‘De CIA, de CIA,’ hoewel dat niet klopte. Maar dat was wat ze wilden horen.

Ook de 37-jarige Matthew Schrier is Amerikaan, opgegroeid in een arme buurt buiten New York. Hij droomt ervan geld te verdienen met fotograferen en vertrekt in december 2012 naar Syrië.

Op de schoorsteenmantel ligt een beige-blauwe wollen muts: een aandenken uit de hel. De muts bood warmte in de Syrische winter, maar werd later door de terroristen over zijn gezicht getrokken als blinddoek. Schrier, kaal en net zo’n pezig lichaam als Padnos, zit in het open raam te roken. Hij vertelt zijn verhaal met luide stem, anekdotisch, doorspekt met scheldwoorden. Zijn zinnen gaan vergezeld van rapgebaren.

Ik kwam uitgerekend bij zo’n fokking nerd als Theo terecht
Matthew Schrier