360 | Amsterdam

De Britse concertpianist James Rhodes (1975), te gast op Crossing Border, 
werd als jongetje jarenlang misbruikt door zijn gymleraar. Het had hem 
waarschijnlijk de dood ingejaagd, als hij niet was gered door de muziek. 
In zijn ophefmakende memoir James Rhodes, pianist schrijft hij eerlijk, 
openhartig en met zwartgallige humor over de strijd met zijn demonen.

Ik zit op school en voel me niet erg op mijn gemak. Het is immers ‘de grote school’. Ik ben een nerveus kind. Verlegen, maak het anderen graag naar de zin en wil aardig gevonden worden. Ik ben tenger, een mooie jongen met een meisjesachtige aanblik. De school zelf is chic, duur, staat in dezelfde straat waar we wonen en is gigantisch, in mijn kleine ogen. Ik ben vijf jaar oud. Ik heb niet veel vrienden en dat maakt me weinig uit. Ik ben ‘gevoelig’, maar niet achterlijk of onbeholpen. Gewoon een beetje anders dan anderen. Ik hou van dansen en muziek en ik 
heb een levendige fantasie. Ik heb geen last van alle ballast waar volwassenen onder gebukt lijken te gaan, en zo hoort het ook. Mijn kleine wereld wordt langzaam groter, ontvouwt zich voor me en er is 
veel te ontdekken op school. Alweer zoals het hoort.
Op een dag (ik ben geneigd te zeggen: ‘op een dinsdag’, maar het is meer dan dertig jaar geleden en ik heb geen flauw idee welke dag van de week het was) ging ik met de rest van de klas naar de gymzaal. Mijn eerste gymles maakt me bang. De andere kinderen lijken te weten wat ze moeten doen. Ze kunnen touwklimmen, ze storten zich op een voetbal en 
krijsen van plezier. Ik ben meer het type kind dat ‘toekijkt vanaf de zijlijn’. Maar meneer Lee, onze leraar, lijkt dat geen probleem te vinden. Hij werpt me telkens een bemoedigende, vriendelijke blik toe. Alsof hij weet dat ik een beetje onzeker ben, maar aan mijn kant staat en daar geen enkel probleem mee heeft. Dat blijft allemaal onuitgesproken, 
maar het voelt oprecht, gemeend, veilig. Als vanzelf kijk ik tijdens de les steeds vaker zijn kant op.
En jawel hoor, elke keer als ik kijk, vang ik zijn blik, en zijn ogen lichten een beetje op. Hij glimlacht naar me op een manier die geen van de andere jongens zou opvallen, en op een diep, onaantastbaar niveau weet ik dat die glimlach speciaal voor mij bestemd is. Als hij naar me kijkt, heb ik het gevoel alsof het kabaal, de drukte en het gedrang verdwijnen en er een regenboogkleurige schijnwerper op me gericht wordt die alleen hij en ik kunnen zien.
En zo gaat het elke keer als ik les van hem heb. Hij schenkt me net genoeg aandacht om me het gevoel te geven dat ik best bijzonder ben, maar niet zo veel dat het opvalt. Maar wel genoeg om enthousiast te worden over gymles. Wat een prestatie van formaat is. Ik blijf me voor hem uitsloven, zodat hij me nog wat meer aandacht geeft. Ik stel vragen en geef antwoord, ren harder, klim hoger, klaag nergens over, zie erop toe dat mijn gymspulletjes schoon en netjes op orde zijn. Ik weet dat hij op een dag over de brug zal komen. En ja hoor, na een paar weken vraagt hij me om na te blijven en hem te helpen met opruimen. En dat voelt alsof ik de loterij gewonnen heb, met gevoel van eigenwaarde als jackpot. Een speciale 
prijs die zegt: jij bent het fijnste, leukste, schattigste en briljantste kind aan wie ik ooit les heb gegeven 
en al je geduld wordt nu beloond. Mijn borst zwelt van trots.