Cumhuriyet  | Istanboel

De dubbele bomaanslag in het hart van Ankara op 10 oktober kostte 97 mensen het leven. Şirin Kılıçalp, het nichtje van journalist İlhan Taşçı, is een van de slachtoffers. Ze liep mee in de noodlottige betoging tegen het geweld tussen het Turkse leger en Koerdische militanten van de PKK in het grensgebied, bij Syrië en Irak. Vind mijn dochter terug, smeekte haar moeder. Maar wie weet waar ze is?

Ik loop rond in de buurt waar de bommen zijn ontploft en doe mijn best niet naar de grond te kijken. Overal liggen lichaamsdelen en ingewanden. Ik heb talloze lijken gezien, ongelukken, incidenten met de politie, en ik heb ook een aardbeving meegemaakt, maar een bloedig slagveld als dit is mij tot nog toe bespaard gebleven.

Ik keer het plein de rug toe en loop naar het Numune-ziekenhuis. Honderd, misschien tweehonderd meter verderop heeft een taxichauffeur zijn auto aan de kant gezet, en nu staat hij zijn banden glimmend schoon te schrobben. Ik sta er niet bij stil. Een eindje verderop komt een stelletje aangelopen, ze maken een selfie. De jongen heeft gel in zijn haar en probeert indruk te maken op het meisje. ‘Nu nog eentje alsof er een bom ontploft?’

Ik loop de helling op en wacht in de rij voor het ziekenhuis om bloed te geven. Een oude kennis, Ömür, staat ook in 
de rij. We praten over wie het gedaan hebben, wat erachter zit, hoeveel families er getroffen zijn.

‘God weet wat er op de sociale media allemaal wordt geschreven,’ zegt Ömür. Ik kijk op mijn telefoon naar de twitterberichten, een mens is nou eenmaal nieuwsgierig. Het eerste bericht dat ik zie is van een nicht. Ze schrijft: ‘Şirin Kılıçalp is bij de aanslag omgekomen…’

‘Heb je Şirin gezien?’

Ze zeggen wel dat de tijd dan stilstaat. De grond onder je voeten wegzakt, je 
in een afgrond wordt gezogen. Het is allemaal waar.

‘Heb je Şirin gezien?’

Al die mensen waar ik verdwaasd langs ben gelopen, die in elkaars armen staan te huilen, rouwklachten aanheffen, het zijn mijn neven en nichten, mijn tantes, mijn familie.

Ik omhels mijn tante, leg mijn hoofd op haar schouder. ‘Jij kent vast mensen, vind Şirin voor me. Alsjeblieft, ik smeek je, haal mijn blozende dochter terug…’

Is ze dood? Niemand die het weet. De enige die haar heeft gezien is Çiğdem, een collega-lerares met wie ze samen uit Istanboel naar Ankara is gekomen. Ook zij staart wezenloos voor zich uit. Ze herhaalt voortdurend dezelfde zinnen. Het kost moeite om een gesprek met haar te voeren.

‘Heb je Şirin gezien?’ vraag ik haar. Çiğdem antwoord: ‘Er was een ontploffing, ik dacht dat mijn hoofd uit elkaar spatte…’
‘Maar heb je Şirin op het plein gezien?’ vraag ik nogmaals. ‘Hoe was ze eraan toe?’

‘We zaten bij die fontein. Ken je de 
fontein? Daar zaten we…’

‘Ik vraag niet wat er gebeurd is, ik wil weten waar je Şirin voor het laatst hebt gezien, en hoe het met haar was?’

‘Bij die fontein,’ begint Çiğdem weer, ‘Şirin en ik zaten te wachten op de groep met het spandoek van de onderwijsvakbond Eğitim-Sen, toen we op-eens verdoofd werden door een enorme explosie… Ze zeggen dat er nog een tweede bom is ontploft. Is dat zo?’

‘Maar Çiğdem, zeg me, was ze nog in leven?’ Dat wil ik weten.

‘De eerste arts die ik erbij heb gehaald,’ zegt ze, ‘is weggelopen zonder iets te zeggen. De volgende zei dat ze dood was. De derde zei dat ook. Ze is dood, zei hij. Ik heb haar tas meegenomen. Kijk, hier. Niet aankomen.’

‘En toen…’

‘Nou ben ik hier…’

En Şirin, waar is Şirin?