The Atlantic | Washington D.C.

Volgens de Amerikaanse journalist Leon Wieseltier, op 14 november te gast op de Nexus-conferentie, pleegt IS in Palmyra een aanslag op de fundamenten van onze pluralistische samenleving. En de VS leggen de extremisten geen strobeed in de weg.

Als de verwoeste ruïnes van 
Palmyra konden praten, zouden ze hun verbazing uitspreken over onze geschoktheid. Ze zijn tenslotte al eerder geplunderd. Met hun zwijgende en verbrijzelde welsprekendheid getuigden ze eeuwenlang niet alleen van de culturen waardoor ze waren gebouwd, maar ook van de culturen waardoor ze waren verwoest – van de broosheid van de beschaving zelf, ook al is die belichaamd in steen. Geen enkele heiligverklaring, of het nu door God is of door de UNESCO, volstaat om het verleden te beschermen. Het verleden is hulpeloos. In plaats daarvan hebben deze ruïnes, alle ruïnes, ertoe geleid dat het verleden vanuit de geschiedenis in de tijd werd getild. 
Ze laten de toeschouwer de feiten 
vergeten en in mijmeringen verzinken.

Nadat in de achttiende eeuw in Londen The Ruins of Palmyra was gepubliceerd, een baanbrekende bundel etsen van Robert Wood die samen met de nogal kleurrijke James Dawkins, een collega-oudheidkundige en politicus, naar de Syrische woestijn was gereisd, werd de verwoesting van Palmyra een steeds terugkerend symbool voor de vluchtigheid en de futiliteit van alle menselijke inspanning. ‘Het is het natuurlijke en gebruikelijke lot van steden’, merkte Wood droogjes op in een van de essays in zijn boek, ‘dat hun nagedachtenis langer bewaard blijft dan hun ruïnes.’ Woods prachtige en nauwgezette prenten inspireerden menig schilderij, en als reactie op een van deze schilderijen schreef Diderot enkele beroemde bladzijden in zijn Salons de 1767: ‘Ruïnes wekken grootse ideeën bij mij op. Alles loopt op niets uit, alles gaat ten onder, alles gaat voorbij, alleen de wereld blijft, alleen de tijd duurt voort (…) Waarheen ik mijn blik ook richt, de voorwerpen om mij heen kondigen dood aan en dwingen me te berusten in wat me wacht. Wat is mijn vluchtige bestaan vergeleken bij dat van een rots die wordt afgesleten, van een vallei die gevormd wordt, van een bos dat sterft, van deze gevaartes in verval die boven mijn hoofd hangen? Ik zie het marmer van graftombes verkruimelen tot poeder en ik wil niet dood!’

Beelden van Palmyra, eind negentiende eeuw, inclusief de schetsen van Robert Wood.