Financial Times | Londen

Financial Times-correspondent Simon Kuper zat in het stadion op vrijdag de 13de. Net als zijn kinderen houdt hij erg van Parijs. Maar hij vraagt zich nu voor het eerst af of hij er wel wil blijven wonen.

Ik zat in het stadion naar de wedstrijd Frankrijk-Duitsland te kijken, toen ik de eerste explosie hoorde. Hij klonk heel hard en het leek of hij van vlak buiten het stadion kwam. De meeste mensen negeerden het geluid, of begonnen zelfs te juichen: voetbalpubliek is gewend aan vuurwerk. Zelfs na de tweede explosie, een paar minuten later, bleef de stemming onder het publiek goed en de wedstrijd ging gewoon door.

Frankrijk-Duitsland is het soort eersteklas vermaak voor mensen in Parijs wonen: de wereldkampioen die tegen het land komt spelen dat over zeven maanden gastheer van het 
Europese Kampioenschap is. Uren na de wedstrijd hoorden we dat bij twee zelfmoordaanslagen vijf mensen waren omgekomen en nog veel meer gewonden waren gevallen, vlak buiten het stadion, een paar honderd meter van de plek waar wij hadden gezeten.

Het was een avond vol onzekerheid, van erachter proberen te komen wat 
er in hemelsnaam aan de hand was. 
Na de explosies bleef het publiek, 
bizar genoeg, gewoon naar de wedstrijd kijken en voor de Franse doelpunten juichen. Ik keek al niet meer. Ik was online met mijn laptop, volgde het nieuws dat binnenkwam, verschrikkelijk nieuws, en vroeg me af: moet ik mijn kinderen hier wel grootbrengen?

Ik woon al dertien jaar in Parijs. In mijn ogen functioneerde de stad altijd prima. Het is al eeuwenlang een van de echt grote steden. Ze hebben er hun eigen portie aan terroristen, maar de meeste Parijzenaren gaan over etnische grenzen heen aardig goed met elkaar om.

– © Christophe Ena / AP Photo