Le Temps  | Genève 

De Franse schrijver Mathias Enard won dit jaar de Prix Goncourt met zijn roman Boussole, waarin een Weense musicoloog terugdenkt aan zijn reizen door de Oriënt. In gesprek met de Zwitserse krant 
Le Temps gaat deze kenner van de Arabische en Perzische wereld in op de breuk tussen het Westen en het Midden-Oosten.

Le Temps: Syrië ligt zwaar onder vuur, van Irak is weinig meer over, Parijs is in rouw… Is uw Prix Goncourt een laatste bekroning voordat definitief het doek valt voor een tijdperk?

Mathias Enard: Het is niet de wereld van gisteren die ik beschrijf, al heeft mijn boek ook een wat schemerige en melancholische kant. Er bestaat een onmiskenbare verwantschap tussen de twee werelden. Ze zullen hoe dan ook met elkaar verder moeten. Het Middellandse Zeegebied zal altijd een grote smeltkroes blijven, momenteel nog meer op de noordelijke oevers dan op de zuidelijke. Frankrijk is voor een deel gearabiseerd, de Balkan staat onder invloed van Turkije, de uitwisseling gaat door. Maar zoiets gaat nooit vanzelf. Terugkijkend op een lange periode kunnen we stellen dat het Middellandse Zeegebied deze smeltkroes evenzeer heeft gecreëerd 
als vernietigd, van het Andalusië van 
de drie culturen tot aan de komst van de katholieke koningen, van de langdurige voortzetting van deze Andalusische traditie in de Maghreb tot aan het eind ervan in de jaren zestig van de vorige eeuw. En denk ook aan Beiroet, een gemengde stad die twintig jaar burgeroorlog heeft gekend. Wat me hoop geeft, is dat alles altijd weer op een andere plek wordt opgebouwd. We hebben geen keus: alles zal op de een of andere manier moeten herrijzen.

Je moet IS als een bende piraten zien. Ze kennen god noch gebod, ze sparen niemand