The Guardian | Londen

Zoals op iedere klimaattop wemelt het in Parijs van de NGO’s en andere maatschappelijke organisaties. Maar hoe effectief zijn hun inspanningen? Een analyse van Dhananjayan Sriskandarajah, secretaris-generaal van CIVICUS: World Alliance for Citizen Participation.

Klimaatbijeenkomsten zoals die in Parijs worden door velen gezien als een uitgelezen kans om de mondiale beleidsagenda te beïnvloeden. In het ontwikkelingswerk spenderen we elk jaar honderden uren, duizenden dollars en een heleboel koolmonoxide om in gesprek te raken met mondiale bestuursinstanties. Maar als je even stilstaat bij het resultaat van al deze moeite, moet je je wel afvragen of het dat allemaal waard is; of het onze kostbare en schaarse middelen waard is, en onze al even kostbare en schaarse tijd.

Neem de gesprekken over de Post-2015 millenniumdoelstellingen. Anders dan bij de eerste millenniumdoelstellingen, die in besloten kring plaatsvonden, wordt de ‘civil society’, het maatschappelijk middenveld, nu toegelaten en krijgt het, volkomen terecht, alle gelegenheid om de agenda te beïnvloeden. Tot nu toe heeft het maatschappelijk middenveld miljoenen uren geïnvesteerd in pogingen om deze nieuwe doelstellingen vorm te geven. Maar 
als al deze moeite, alle kostbare tijd 
en het geld dat we hieraan besteden, iets meer oplevert dan een andere 
formulering hier en daar, zal ik aangenaam verrast zijn.

Dat wil niet zeggen dat ons werk op dit gebied gespeend is van goede bedoelingen. Maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat we maar al te vaak genoegen moeten nemen met uiterst 
beperkte interacties met mondiale bestuursinstanties, die op hun beurt steeds minder in staat zijn om de complexe mondiale uitdagingen van de eenentwintigste eeuw het hoofd te bieden.

We zijn ons tevreden gaan stellen met het kleinste stoeltje aan tafel