The New York Times | New York

Voor iedereen die opgroeide in de jaren zeventig was de eerste Star Wars-film een culturele mijlpaal. En dus houdt New York Times-criticus A. O. Scott ondanks alles nog steeds van Luke, lichtzwaarden en de Force.

Halverwege 1977 vonden er kort na elkaar drie belangrijke gebeurtenissen plaats. Star Wars ging in roulatie, ik werd elf en Elvis Presley ging dood. Een van die gebeurtenissen is van een volkomen andere orde, ik weet het; en strikt genomen was er – en ís er – weinig meer onderlinge samenhang dan het gegeven dat die data zo dicht bij elkaar liggen. Maar toch zijn die willekeurige gebeurtenissen bepalend geweest voor mijn relatie met de populaire cultuur.

En dat geldt natuurlijk niet alleen voor mij. Het moderne leven is een aaneenschakeling van mijlpalen, gekoppeld aan een bepaalde generatie. We ontlenen onze collectieve identiteit aan de gedeelde ervaringen van allerlei publieke gebeurtenissen, waar ook kaskrakers en hits onder vallen. Of we ze nou mooi vinden of niet, ze gaan als vanzelf deel uitmaken van de architectuur van onze persoonlijke identiteit, en ze vormen een soort ruilmiddel tussen leeftijdsgenoten. Elvis, die halverwege de veertig was toen hij overleed, hoorde voor kinderen zoals ik onmiskenbaar bij de ouderen, hij stond symbool voor het moment in de jeugd van onze ouders waarop alles veranderde. De Beatles vertegenwoordigden een soortgelijke aardverschuiving, zij het van iets recentere datum. Ook zij maakten deel uit van het verleden. Op de kleuterschool hadden we hun liedjes gezongen, en we hadden ze gehoord bij Sesamstraat. Ze behoorden tot het domein van de nostalgie. Bij Star Wars lag dat anders. Star Wars was van óns – het was onze eigen tektonische plaat die begon te schuiven, waarmee het landschap voorgoed zou veranderen.

De Muppet Beatles.