Prospect | Londen

Simon Schama zou stroomstootjes uitdelen aan mensen die te hard in hun mobiele telefoon praten, de woorden ‘whatever’ en ‘cool’ afschaffen en verbieden dat vliegtuigpersoneel nog langer aan mensen uitlegt hoe ze hun veiligheidsriem moeten vastmaken.

Ik heb geen leiderskwaliteiten. Het dichtst dat ik ooit bij opperste macht ben gekomen was toen ik vicepresident was van de Amerikaanse tak van schrijversorganisatie Pen, en gevraagd werd of ik wilde overwegen om president te worden. De waarheid is dat president Schama me niet iets leek om serieus te nemen.

In zekere zin zou je als historicus niet aan de poorten van de macht moeten kloppen; jouw taak is het om de machtigen ’s nachts wakker te houden, ze slapeloosheid te bezorgen. Ik heb me de laatste tijd veel bezig gehouden met de Joodse geschiedenis, en van oudsher is er al een heftig debat over wat ‘macht’ in de Joodse traditie kan betekenen. Mozes bijvoorbeeld, is geen heerser; hij is geen koning. Zodra er koningen opduiken, ontstaan er problemen – David, Salomo en Saul. Het debat wordt echt heftig in de tijd van de Hasmoneese dynastie. Halverwege de tweede eeuw voor Christus was er een opstand tegen de Grieken, en daaruit kwam een autonoom Joods koninkrijk voort dat onmiddellijk ‘veroveraar’ werd en zijn territorium begon uit te breiden. Alle Farizeeën zeiden toen: ‘Dit koninkrijk heeft ons uiteindelijk tot Grieken gemaakt.’ Er hangt iets ongemakkelijks rond Joodse tradities en daden van macht, dus het is moeilijk voor mij om in termen van heersen te denken.

‘Ben je daar? O, mooi, ik ben hier. Wanneer ben jij er? Ik zit in de trein, maar straks ben ik er.’ Ondraaglijk