The Economist | Londen

Het vijfhonderd jaar oude Ritanpark in Beijing meet slechts een halve vierkante kilometer. Toch wordt het van zonsopgang tot zonsondergang bevolkt door stadsbewoners voor wie het een speeltuin, huiskamer, sportschool, theehuis en concerthal in één is.

Li Zhaolin staat boven op een stenen pagode te schreeuwen, te jodelen haast: stemoefeningen, noemt hij het zelf, om beter te ademen. Sommige mensen lijken met een boom in gevecht, ze slaan hun armen om de stam en duwen uit alle macht. Een man heeft zijn arm over een tak geslagen en wrijft met zijn linkeroksel tegen het hout terwijl hij met zijn rechterhand ritmisch op zijn hoofd slaat. Een paar oudere mensen lopen achteruit, wat naar verluidt rugpijn en knieklachten kan verlichten. Velen doen tai chi, een Chinese vechtsport, in hun eentje of in een groep, sommigen met behulp van een stok of een zwaard.

Het Ritanpark in Beijing komt al voor zonsopgang tot leven. Om half vier ’s ochtends, wanneer de poorten van het park nog gesloten zijn, veegt Wang Jiangyou al met een lange bezem van twijgen alle bladeren bij elkaar. Hij woont al zeventien jaar op het terrein en deelt een driekamerappartementje met negen andere parkbeheerders. Zijn eerste dienst zit er bijna op wanneer om half zes de poorten opengaan. Buiten het park staan al straatventers, die fruit verkopen aan de vroege vogels, meestal mensen op leeftijd, die oefeningen komen doen of een stevige wandeling komen maken langs de randen van het park. De meesten in hun eentje. Iemand heeft een radio bij zich; uit zijn zak klinkt een krakende stem die een uitgesponnen Chinees sprookje vertelt. Vijf oude mannen lopen rustig te kletsen, een van hen laat onophoudelijk een paar houten meditatieballetjes ronddraaien in zijn handpalm.

Tai Chi is een van de populairste activiteiten in het park. – © Kevin Frayer / Getty