360 Magazine | Amsterdam

Sicilië is verworden tot een desolaat eiland zonder elektriciteit, met roedels wilde honden en lege snelwegen. Een virus heeft alle volwassenen uitgeroeid, alleen de jeugd is gespaard gebleven. Niccolò Ammaniti (1966) schreef de bestsellers Ik haal je op, ik neem je mee (300.000 exemplaren verkocht in Nederland), Ik ben niet bang (160.000 exemplaren) en Zo God het wil. Iedere dag is er een voor de Ammaniti-fans die halsreikend naar de nieuwe Anna uitkijken. Houd vol. Het duurt niet lang meer. Hier alvast een voorpublicatie.

Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen T-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.

De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug 
te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.

Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed. Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.

De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden. Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf 
met open ogen.

Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fluisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.

De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.

Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man 
die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.

Hij liep wankelend verder, alsof hij zijn beentjes niet in bedwang kon houden. Op een andere brancard, naast een poster die maande tot borstkankerpreventie en een andere met een foto van de Sint-Pauluskathedraal in Luik, lag het lijk van een bejaarde vrouw. Het kleintje liep verder onder een knetterende gele tl-lamp.

Een jongen in nachthemd en badstof slippers lag dood in de deuropening van een langgerekte slaapzaal, een arm naar voren, de vingers samengetrokken alsof hij zich niet wilde laten opslokken door een draaikolk. Aan het eind van de gang vocht de 
duisternis tegen de lichtstralen die door de hoofdingang van het ziekenhuis naar binnen schenen.

Het jongetje bleef staan. Links van hem de trap, de liften en de receptie. Achter de roestvrijstalen balie zag je omgevallen computerschermen op de bureaus en een glazen wand die in duizenden stukjes uiteen was gevallen. Hij liet het treintje vallen en rende naar de uitgang. Hij kneep zijn ogen dicht, strekte zijn arm uit, duwde tegen de grote deuren en 
verdween in het licht. Buiten, voorbij de grote trap, voorbij de rood-witte plastic afzetlinten, staken de zwarte silhouetten van de politieauto’s, de ambulances, de brandweerwagens af.

Iemand schreeuwde. ‘Een jongetje. Daar loopt een jongetje…’ Een lompe figuur rende naar hem toe en verduisterde de zon. Het jongetje had nauwelijks 
tijd om te zien dat de man was ingepakt in een gele plastic overall.

Toen werd hij vastgepakt en afgevoerd.

Vier jaar later…

Anna rende over de snelweg en kneep in de riempjes van de rugzak die op haar rug stuiterde. Nu en dan keek ze achterom. De honden waren er nog steeds. Keurig in een rij achter elkaar. Zes, zeven. Een paar haveloze honden waren onderweg afgehaakt, maar de grootste, voorop, kwam steeds dichterbij. Ze had ze twee uur daarvoor in de verte op een afgebrande akker tevoorschijn zien komen tussen de donkere keien en geblakerde stronken van de olijfbomen, maar ze had er verder geen aandacht aan besteed.

Het was haar wel eerder overkomen dat ze werd 
achtervolgd door roedels wilde honden, die kwamen even achter je aan, kregen er vervolgens genoeg van en gingen dan weer hun eigen gang.

Maar toen ze deze roedel niet meer zag had ze een zucht van verlichting geslaakt. Ze was gestopt om het water dat ze nog over had op te drinken en was verder gelopen.

Ze vond het leuk om te tellen tijdens het lopen. Ze telde hoeveel stappen er in een kilometer gingen, ze telde de donkerblauwe auto’s en de rode, ze telde de viaducten.
Toen waren de honden weer verschenen.

Het waren wanhopige stakkers, stuurloos op drift in een zee van as. Ze had er al zoveel gezien, met kale plekken in hun vacht, trossen teken die aan hun oren hingen, uitstekende ribben. Ze verscheurden elkaar om de resten van een konijn. De zomerbranden hadden de vlakte verschroeid en er was bijna niets meer te eten.

Ze liep langs een rij auto’s met ingeslagen ruiten. 
Er groeide onkruid en koren rondom de karkassen, die bedekt waren met een laag as.

De sirocco had de vlammen tot aan de zee voortgestuwd en daarbij een woestijn achter zich gelaten. 
De strook asfalt van de A29 die Palermo verbond met Mazara del Vallo sneed een dode vlakte in tweeën waaruit zich de geblakerde rompen van de palmbomen en een paar rookpluimen verhieven. Links, voorbij de overblijfselen van Castellammare del Golfo, vermengde een stukje grijze zee zich met de lucht. Rechts dreef een rij lage, donkere heuvels op de vlakte als verre eilanden.

De rijbaan was versperd door een gekantelde vrachtwagen. De oplegger had de middenvangrail geramd en wastafels, bidets, toiletpotten en scherven wit keramiek lagen over tientallen meters verspreid. 
Het meisje liep ertussendoor.

Haar rechterenkel deed pijn. Ze had in Alcamo de deur van een kruidenierswinkel opengetrapt.

En dan te bedenken dat alles voorspoedig was verlopen totdat de honden kwamen.

T