El País | Madrid

De uitslag van de Spaanse verkiezingen bevestigt de complexe situatie waarin de politiek zich bevindt. Een met alleen maar ijdele winnaars die zich een mandaat toe-eigenen, volgens schrijver Javier Marías.

Ik schrijf dit nog geen week na de verkiezingen in Spanje van 20 december, en weet daarom niet hoe de zaken ervoor staan wanneer deze column wordt gelezen. Of er is meer duidelijkheid en de partijen zijn er min of meer uit wie er mag gaan regeren, of we kunnen over een paar maanden een oproep verwachten om opnieuw naar de stembus te gaan. Zo kort na de verkiezingen bespeur ik echter al een fenomeen waar ik niet van opkijk, maar dat ik wel zorgelijk vind: veel mensen hebben een beetje of een heleboel spijt van de stem die ze na veel wikken en wegen hebben uitgebracht. Verwacht had ik dat wel, en wel hierom: volgens de peilingen waren er vlak voor 20 december zo’n 40 procent zwevende kiezers, en velen maakten de ene week een keuze om daar de volgende week weer op terug te komen. Vreemd is het niet dat je, nadat je hebt gestemd omdat dat nu eenmaal moet op die ene dag, blijft twijfelen, van mening verandert en het betreurt dat je uiteindelijk dan toch maar het stembiljet hebt ingevuld. Ik reken mezelf tot de halve spijtoptanten, al weet ik niet op wie ik zou stemmen als ik op mijn schreden kon terugkeren. (Niet stemmen of blanco stemmen heb ik altijd de slechtst mogelijke oplossing gevonden: dan beslissen anderen voor jou.)

Meeblazen

Naast wat vanzelfsprekend en te verwachten was – de niet-aflatende twijfel nadat je hebt gestemd – heeft zich volgens mij een diepe teleurstelling meester gemaakt van het land. Deze verkiezingen zouden anders zijn, zo hoopte men. Voor het eerst in tientallen jaren zouden er meer dan twee partijen zijn die konden rekenen op een verkiezingszege of in elk geval op genoeg stemmen om een stevig partijtje mee te blazen bij het vormen van een regering. Er zouden ‘frisse winden waaien’, zoals nooit eerder was gebeurd. Maar alle partijen reageerden zoals we gewend zijn, maar dan nog erger, en de nieuwkomers deden daarin niet onder voor de oude garde. 
Zoals te doen gebruikelijk gaf bijna niemand toe dat hij verloren had en trok niemand dan toch op zijn minst het boetekleed aan; iedereen probeerde zo goed mogelijk voor de dag 
te komen om zonder gezichtsverlies zijn wonden te kunnen likken, hoezeer hij de waarheid daarbij ook geweld moest aandoen. Deze keer zijn 
de partijen nog een stapje verder gegaan: bijna allemaal hebben ze zich uitgeroepen tot onherroepelijke winnaar en vonden hun lijsttrekkers dat ze in de positie waren om eisen te kunnen stellen. Patent hierop heeft de antisysteempartij CUP, die zich sinds de regionale verkiezingen in Catalonië in september deze houding aanmeet (uiteraard met de kruiperige zegen van Mas, Junqueras, Romeva en Forcadell). Met maar tien zetels doen ze alsof zij de dienst uitmaken (deels omdat het eerder genoemde gezelschap hun dat mogelijk heeft gemaakt). Als je ondemocratisch bent en de boel chanteert vind je vanzelf navolging, dat heeft Podemos duidelijk laten zien. Hun ijdele leider Pablo Iglesias wist niet hoe gauw hij voorwaarden moest stellen aan de rest toen niemand hem nog had uitgenodigd om samen te gaan werken. Maar zo ook Pedro Sánchez van de PSOE en, in mindere mate, Albert Rivera van Ciudadanos en niet te vergeten Mariano Rajoy, op wie het meest is gestemd. Misschien is het die hooghartige en irreële opstelling waardoor veel kiezers spijt hebben gekregen. Is er dan niemand bij machte te beseffen wat zijn werkelijke positie is? Ligt de oorzaak wellicht in de regionale ‘volksraadpleging’ in Catalonië van nog maar 
een paar maanden geleden: als je bij 47 procent van de stemmen zonder blikken of blozen victorie kraait, waarom zou je dat dan niet doen als je 20 procent haalt? Als ze het pikken, waarom dan niet? En verbazingwekkend genoeg pikken en slikken ze hier de grootste onwaarschijnlijkheden, de flagrantste ontkenningen van wat de cijfers en de werkelijkheid laten zien.