Hürriyet  | Istanboel  

Turkije wordt geteisterd door zelfmoordaanslagen, moorden en bloedbaden. En het is ook nog eens levensgevaarlijk om er publiekelijk iets over te zeggen.

De jongste aanslag in Turkije dateert van 12 januari, toen ten minste tien mensen het leven lieten na een zelfmoordaanslag door een aanhanger van Islamitische Staat (IS) in Sultanahmet, de historische wijk van Istanboel. Een uur na de aanslag kondigde de Turkse Persraad RTÜK na een officieel verzoek van de minister-president een uitzendverbod af. Kort daarna vaardigde een gerechtshof in Istanboel een algeheel verbod uit ‘op alle soorten nieuws, interviews, kritieken en dergelijke artikelen in gedrukte, audiovisuele en sociale media, en op internet’. Eigenlijk kwam het erop neer dat met de uitspraak werd gezegd: ‘Heb het zelfs niet met je vrienden over de aanslag.’

De bewoordingen waren vrijwel identiek aan die van het verbod dat volgde op de dubbele zelfmoordaanslag in Ankara op 10 oktober vorig jaar, waarbij honderd vredesactivisten werden gedood. IS, dat door de toenmalige Turkse minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoğlu in een interview nog werd omschreven als ‘een groep boze en onderdrukte soennietische moslims’ en als een simpel gevolg van het sektarische Irakese beleid, zat ook achter dat bloedbad. Zodra IS verantwoordelijk is voor een aanslag in Turkije, verliezen de gerechtshoven kennelijk geen tijd met het opleggen van censuur.

Selectieve censuur

Er is geen censuur wanneer het veiligheidsoperaties tegen de verboden Koerdische Arbeiderspartij PKK betreft, of de wekenlange avondklok in bepaalde zuidoostelijke districten en de vermeende schending van de mensenrechten door de veiligheidsdiensten. Hoewel je ook over dat soort operaties niet echt kunt praten. Als je dat wel doet, roep je de toorn over je af van de president, de regering en hun fanatieke supporters, en krijg je te horen dat je je mond moet houden.

Dat overkwam meer dan duizend lokale en internationale academici die een petitie tekenden waarin ze de veiligheidsoperaties hekelden. Aangezien ze geen gewag maakten van de gewapende militante PKK-aanhangers die hun strijd verplaatsen naar woonwijken, verdienden de ondertekenaars het zeker niet om voor het ventileren van hun mening zo scherp te worden bekritiseerd door president Recep Tayyip Erdogan.

In een toespraak tot Turkse ambassadeurs tijdens een lunch op 12 januari, veroordeelde Erdogan de aanslag in Sultanahmet in ongeveer veertig seconden, en ging toen over tot de kwestie van de petitie. ‘Deze mensen, die zichzelf academici noemen, beschuldigen de staat in een verklaring. Dat niet alleen, ze nodigen ook nog eens buitenlanders uit om de ontwikkelingen te komen volgen. Dat is een koloniale mentaliteit,’ zei Erdogan, en hij stelde dat het land te maken had met ‘verraad’ door ‘zogenaamde intellectuelen’. ‘Hé, zogenaamde intellectuelen! Jullie zijn geen verlichte mensen, jullie zijn onverlicht. Jullie lijken niet eens op intellectuelen. Jullie zijn onwetend en tasten in het duister, jullie weten niets van het oosten of het zuidoosten,’ zei Erdogan.