The Guardian | Londen

De Bosnische generaal Ratko Mladic wordt ervan beschuldigd duizenden burgers te hebben gedood in Srebrenica en Sarajevo – de ergste gruweldaad in Europa sinds het nazitijdperk. Journalist Julian Borger vertelt van binnenuit hoe Mladic veertien jaar lang op vrije voeten kon blijven, en hoe hij uiteindelijk toch werd gepakt.

In juli 1997 kreeg de Joegoslavische legerofficier Milan Gunj een dringend telefoontje, thuis in Belgrado. Er was iets merkwaardigs aan de hand en hij moest ogenblikkelijk naar zijn werk komen.

Het werk van stafonderofficier Gunj kan het best worden omschreven als dat van een hotelhouder in het leger. Hij was opgeklommen van legerkok en cateraar tot stafofficier en hij had nu de betrekkelijk aangename taak om toe te zien op het onderhoud van een groot aantal ommuurde en beveiligde vakantieparken, waar sinds jaar en dag de hoge omes van het Joegoslavische leger mochten verpozen. De man die hem op die zomerdag belde was een soldaat die werkzaam was in een van deze idyllische oorden – en wel in Rajac, in de bosrijke heuvels van midden-Servië. De soldaat wilde over de telefoon verder geen mededelingen doen, maar hij drong erop aan dat Gunj zo snel mogelijk zou komen.

Een paar tellen later kreeg hij nog een telefoontje. Dit keer van een medewerker van de Joegoslavische stafchef van het leger, die zei dat Gunj ogenblikkelijk naar Rajac moest gaan om zich over zijn gasten te ontfermen. Ter plaatse zou hij alle informatie krijgen die hij nodig had. Gunj stapte in zijn auto en reed naar het zuiden.

Doodkalm

Twee uur later arriveerde hij in Rajac. Het was inmiddels donker en hij zag een tiental gewapende mannen in burger bij de ingang staan. Op datzelfde moment kwam de aanleiding voor alle geheimzinnigheid doodkalm de lobby uit lopen, alsof hij heer en meester was in Rajac. Er was geen vergissing mogelijk: de gedrongen gestalte en het vlezige, rossige gelaat dat Gunj kende van de honderden krantenartikelen over de oorlog in Bosnië – generaal Ratko Mladic.

‘Ik was enigszins verbaasd, bang en van slag door de verwikkelingen,’ herinnert Gunj zich. ‘Ten eerste omdat dit zich allemaal op mijn terrein afspeelde, en ik er niets over te horen had gekregen. Ten tweede omdat ik wist dat Ratko Mladic door het tribunaal in Den Haag van bepaalde feiten was beschuldigd. Je kunt gerust zeggen dat ik op dat moment min of meer in paniek was.’

Gunj was bepaald niet de enige die angst voelde in aanwezigheid van Mladic. Deze was beschuldigd van de meest gruwelijke oorlogsmisdaden die zich sinds het nazitijdperk in Europa hadden voltrokken. De Bosnisch-Servische generaal had drie jaar lang de leiding gehad over het beleg van Sarajevo, met dagelijkse bombardementen op de inwoners van de stad en beschietingen door sluipschutters. Hij was ook aanwezig toen de moslimenclave Srebrenica in juli 1995 door zijn troepen onder de voet werd gelopen. Hij wierp zich op als voorvechter van de nationale vergelding en hij zei dat het zuiveren van Srebrenica de wraak was op ‘de Turken’, voor de massamoord op de Serviërs in het Ottomaanse Rijk. Mladic stelde de doodsbange gevangengenomen moslimvrouwen gerust en zei dat hun geliefden veilig waren, terwijl op datzelfde moment zijn mannen achtduizend echtgenoten en zoons oppakten en afslachtten. De officier met de rode kop die in Gunjs vakantiepark bleek te verblijven, was de meest gezochte man ter wereld.