Die Zeit | Hamburg

In het westen gelden de troepen van de ‘Islamitische Staat’ als symbool van het kwaad. In Irak is dat anders; daar zijn veel mensen banger voor hun vijanden. De staat valt uiteen – en in Bagdad wordt een smalle straat tot frontlinie.  

Ten einde raad zit ik op het bed van mijn hotelkamer in Bagdad, mobieltje in de hand. Mijn hand trilt. Ik wil het nummer van de redactie in Hamburg bellen, en tik steeds weer verkeerd. Een paar minuten geleden ben ik gebeld. ‘Goedendag,’ zei een ambtenaar van het Bundeskriminalamt [de federale recherche] in Berlijn. ‘Er dreigt een ontvoering voor u en uw fotograaf.’ De ontvoerders zouden onze namen en ons hotel kennen. Wie ons bedreigde wist hij niet. Wanneer ze ons wilden kidnappen ook niet. Waarschijnlijk kon het elk moment gebeuren.

Haastig pakken we in: passen, geld, notities, camera’s. De ritssluiting van de rugzak zit vast. Ik trek en ruk. Ik hoor voetstappen voor mijn deur. Ik luister. De voetstappen verwijderen zich. Ik loop naar het raam, zie beneden bij de ingang een groep jonge mannen die naar boven kijken. Ze lachen. Als ik even later nog eens naar beneden kijk, zijn ze verdwenen. Uit de Duitse ambassade komt het bericht dat men overweegt een bewapend konvooi te sturen om ons te redden. Zo eindigt ons onderzoek.

Bagdad was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden