New Statesman | Londen

Kort na de aanslagen in Parijs schreef de Britse filosoof John Gray een invloedrijk essay, dat na ‘Brussel’ opnieuw de cover haalde van de Britse New Statesman. In navolging van zijn beroemde voorganger Thomas Hobbes pleit Gray voor een sterke staat om de gevaren van het mondiale terrorisme in te dammen.

De gevolgen van de wreedheden in Parijs lijken vrij duidelijk. De staat valt terug op zijn belangrijkste taak, namelijk het garanderen van veiligheid. We zien dat een essentiële waarheid wordt herontdekt: onze vrijheden zijn geen op zichzelf staande, absolute waarheden, maar wankele gedachteconstructies die alleen overeind blijven dankzij de bescherming van de staatsmacht. De geschiedenis is in de ogen van de weldenkende mens de ideale beschavende orde. De taak om de openbare veiligheid te handhaven rust op de schouders van nationale regeringen, de enige instituties die beschikken over het vermogen hun burgers te beschermen.

De vrijzinnige gedachte dat vrijheid zich over de wereld verspreidt, heeft ervoor gezorgd dat westerse samenlevingen zich niet realiseren hoe kwetsbaar ze zijn. Door in naam van de vrijheid despoten omver te werpen, zijn we in een situatie beland waarin onze eigen vrijheid op het spel staat. Volgens de vrijzinnige leer is vrijheid een heilige waarde – ondeelbaar en onaantastbaar – waar niet op valt af te dingen. In hooggestemde theorieën over mensenrechten is strenge inperking van de staatsmacht een universele voorwaarde voor rechtvaardigheid. Dat een plaatselijke uitbarsting van anarchie een veel hardnekkiger obstakel op weg naar beschaving is dan uiteenlopende soorten despotisme, wordt veronachtzaamd en over het hoofd gezien, omdat het te verontrustend is om bij stil te staan.

Moderne denker

Slechts één moderne denker begreep dat een sterke staat een voorwaarde is voor een beschaafde maatschappelijke orde. Thomas Hobbes [politiek filosoof, 1588-1679] was ervan overtuigd dat alleen staatsbestuur bescherming kon bieden tegen sektarische strijd. Iedereen die de voordelen van een ‘gerieflijk leven’ wilde genieten, moest zich onderwerpen aan een soevereine macht die beschikte over de autoriteit om te doen wat noodzakelijk was om de vrede te bewaren. Anders zouden er, zoals Hobbes het in een beroemde passage uit zijn meesterwerk Leviathan (1651) formuleerde, ‘geen kunsten, geen letteren, geen samenleving [zijn] en, het ergst van al, permanente angst voor en kans op een gewelddadige dood en een teruggetrokken, armoedig, ellendig, wreed en kort leven’.

Hobbes wordt wel bekritiseerd omdat hij de noodzaak tot bescherming tegen de staat zou negeren, die onmiskenbaar was in de twintigste eeuw, toen de ergste misdaden het werk waren van totalitaire regimes. Maar je hoeft niet de complete politieke theorie van Hobbes te omarmen om in te zien dat hij enkele blijvende inzichten onder woorden heeft gebracht die de linkse goegemeente verkiest te vergeten. De vorm van het bestuur – democratisch, despotisch, monarchistisch of republikeins – doet er minder toe dan zijn vermogen om voor vrede te zorgen. Momenteel is het niet de staat, maar de zwakte van de staat die de grootste bedreiging van de vrijheid vormt.