L’Orient Littéraire | Beiroet 

Binnen de islamitische wereld wordt fel gedebatteerd over de noodzaak om de religie te moderniseren. Maar volgens de Libanese schrijver en filosoof Ali Harb kan dat helemaal niet.

Welke relatie heeft de islam met het terrorisme dat momenteel over de hele wereld dood en verderf zaait? Sinds de aanslagen van 11 september haalt deze vraag regelmatig de krantenkoppen en maakt heftige, soms hatelijke polemieken los. Volgens sommigen is het terrorisme een uitwas, dat met de echte islam niets te maken heeft. Zij worden blind genoemd. Anderen denken dat deze religie fundamenteel gewelddadig is; hen wordt islamofobie verweten.

Zo nu en dan halen beide kampen daarbij verzen uit de Koran aan, waarmee ze ofwel de barbaarsheid van de islam, of juist haar tolerante natuur willen aantonen. Ze vergeten echter dat een religie nooit tot een heilig boek kan worden gereduceerd. Vóór alles is het een eeuwenoude praktijk, gekristalliseerd in een veelvoud van instituties en culturele gebruiken. Je kunt ook niet alle communistische regimes herleiden tot Het Kapitaal van Marx en Engels.

Ali Harb weigert om de essentie van een religie uit een heilig boek te destilleren. Volgens de Libanese schrijver en filosoof hoef je de Koran maar te lezen om te zien dat je er alles uit kunt opmaken, maar altijd ook precies het tegendeel. Er is dus een andere methode, een ander perspectief nodig. Je kunt de islamitische religie ook zien als een heilsopvatting, een denksysteem dat, net als het christendom, het jodendom, maar ook twintigste-eeuwse ‘religies’ als het communisme en fascisme, een absolute waarheid zegt te verkondigen.

Vanuit die optiek is een potentiële terrorist wel degelijk innig verbonden met de islam. In zijn laatste boek, Le terrorisme et ses créateurs: le prédicateur, le tyran et l’intellectuel, werkt Harb dit idee verder uit.

De impliciete definitie van terrorisme waarop u de stellingen uit uw boek baseert lijkt me vrij ruim. Het gaat zowel om gewelddaden als om denksystemen…

‘Ik denk inderdaad dat het terrorisme in de eerste plaats een intellectuele houding is. Die van iemand die gelooft dat alleen hij de absolute waarheid bezit en alleen hij het recht heeft om uit naam van die waarheid te spreken. Zo’n waarheid kan in de religieuze, politieke, sociale of morele sfeer liggen. Hij kan bijvoorbeeld gaan over God, over de staat, het socialisme, de vrijheid of het humanisme. Daarnaast is het terrorisme ook een handelswijze: je zo opstellen alsof jij alleen de waarheid in pacht hebt en andersdenkenden of tegenstanders daarom mag uitsluiten. De manier waarop kan symbolisch zijn, door excommunicatie of door iemand tot landverrader te bestempelen, of – fysiek – door uitroeiing of moord. Het devies van de terrorist is: jij moet net zo denken als ik, anders beschuldig en veroordeel ik je. In die zin kun je zeggen dat zowel de prediker met een vastomlijnd religieus programma, de tiran die werkt aan de uitvoering van een politiek project en de intellectueel die schrijft dat de maatschappij door een revolutie moet veranderen, allemaal terrorisme bedrijven. De prediker excommuniceert, de tiran veroordeelt en bestempelt mensen tot verrader, de intellectueel theoretiseert en de activist of jihadist ageert en doodt mensen.’