Kompas   | Jakarta

In Indonesië leven ruim 25 miljoen mensen van 
de productie van palmolie. Maar Europa weert het goedje vanwege de milieueffecten. Volgens een Indonesische expert moet zijn regering de industrie beschermen én de uitwassen aanpakken.

Onze diplomatieke diensten staan voor een nieuwe uitdaging: de palmolie beschermen nu er een nieuwe commerciële oorlog voor de deur staat. Niet alleen gaat Frankrijk een progressieve belasting heffen op de import van ruwe palmolie [de ‘Nutella’-belasting werd op 17 maart 2016 door het parlement goedgekeurd], maar er is zelfs een campagne gestart om levensmiddelen in de Europese Unie voortaan van het etiket palm oil free (POF) te voorzien.

De Indonesische regering heeft alle reden om dit POF-etiket af te wijzen 
en protest aan te tekenen tegen deze Franse wet voor een progressieve importheffing op palmolie. De twee maatregelen zijn in strijd met de regels van de Wereldhandelsorganisatie en het GATT-akkoord uit 1994, dat de douane- en handelstarieven regelt. De regering zal ook met strenge regelgeving moeten komen om kleine lokale producenten van palmolie – die 45 procent van de Indonesische oliepalmplantages bezitten – te beschermen.

Europese landen gaan onverminderd door met hun negatieve en agressieve campagne tegen palmolie, onder het voorwendsel dat deze slecht zou zijn voor het milieu [de Franse importheffing komt als amendement op de wet op 
de biodiversiteit en is ingediend door parlementsleden van een ecologische partij]. De werkelijke reden voor deze campagne lijkt echter te zijn dat de Europese landen graag hun eigen 
productie van zonnebloem-, soja- en koolzaadolie willen beschermen.

Om het imago van Indonesië op de wereldmarkt te verbeteren zou de regering plannen moeten maken om andere industrieën te stimuleren