Al-Masry Al-Yoem   | Cairo 

Alle autoritaire regimes die Egypte heeft gekend, hoe repressief ze ook waren, hadden altijd een minimaal politiek doel voor ogen. Het huidige regime niet.

De demonstraties op maandag 25 april zijn verhinderd. De ordetroepen zijn erin geslaagd de optochten in de straten van Cairo uiteen te jagen, en in mindere mate ook in de provincie. De politie-interventie was krachtig, maar er zijn geen doden gevallen. Kortom, al met al konden de politiemensen hun missie als volbracht beschouwen, maar misschien hebben ze zich het volgende afgevraagd: ‘Goed, en wat gaan we nu doen, effendi?’ [‘Effendi’ is een Egyptische eretitel, half eerbiedig, half spottend.]

De veiligheidsdiensten hebben altijd een belangrijke rol gespeeld onder alle ondemocratische regimes die elkaar in Egypte zijn opgevolgd. Maar ze zijn nooit de enige machtsbasis geweest. De leiders hebben altijd gezorgd voor een politiek plan dat de meerderheid van de bevolking kon verleiden.

Ironie

Op die manier verwierf Gamal Abdel Nasser (president van 1952 tot 1970) steun bij de bevolking, hoe repressief zijn regime ook was. Hetzelfde gold voor zijn opvolger Anwar Al-Sadat (1970-1981). Vervolgens zorgde ook Hosni Moebarak (1981-2011) ervoor banden te onderhouden met de belangrijke en minder belangrijke families van het land. Hij beheerste bovendien de kunst de oppositie een zekere ruimte te laten.

De breuk voltrok zich tijdens de parlementsverkiezingen van november 2010, toen het regime plotseling besloot iedere vorm van onafhankelijke politieke meningsuiting te verbieden. Dat luidde het eind in van het regime, en het begin van de revolutie die Moebarak enkele maanden later zijn presidentschap zou kosten.

Het hebben van een politiek plan stelt de machthebber in staat zich minder op de ordetroepen te verlaten. Maar als de machthebber het politieke terrein verlaat, wordt de leegte opgevuld met grootscheepse repressie.