Quartz | New York

Het Europese burgerschap stelt weinig voor, en die situatie gaat al terug tot het oude Rome, schrijft Quartz -journalist Kabir Chibber. ‘Keizer Hadrianus zou niet gek hebben opgekeken van de verhoudingen in onze wereld.’

Hoe verhoudt een stam zich tot de vreemdeling? Als je hem heel slecht behandelt, zal hij wegblijven. Als je hem heel goed behandelt, welke voorrechten geniet je dan nog als oorspronkelijke inwoner? Europa is veel verder gegaan dan zoeken naar een oplossing voor dit dilemma: momenteel vindt in Europa het grootste sociaalwetenschappelijke openluchtexperiment van de afgelopen twintig jaar plaats. In een culminatie van alle pogingen om na millennia van oorlogen een verenigd Europa te smeden, heeft de EU in 1993 niet alleen zichzelf in het leven geroepen, maar ook zonder al te veel ophef het geheel nieuwe concept van het Europees staatsburgerschap het licht doen zien – en zonder al te veel inhoudelijke discussie.

Het Verdrag van Maastricht stelt het Europees burgerschap ‘boven het burgerschap van de Lid-Staten. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een Lid-Staat bezit.’ Niet iedereen in de EU realiseert zich dat, maar het is wel zo. Het burgerschap van de EU brengt een aantal rechten met zich mee, waaronder de tot dan toe ongekende mogelijkheid om voor onbeperkte tijd waar dan ook in de EU te werken en te wonen. Dat betekent een juridische gelijkstelling met de burgers van de betreffende Lid-Staat, op alle vlakken behalve het actieve kiesrecht bij landelijke verkiezingen.

Er zijn dus twee soorten vreemdelingen in de EU-Lid-Staten: de Europeaan en de niet-Europeaan. Sterker nog, de Europese immigrant beschouwt zichzelf helemaal niet als immigrant. Hij ziet zichzelf als een Europeaan – met dezelfde rechten als de lokale bevolking. Dat kan tot merkwaardige situaties leiden. In de nasleep van het referendum waarbij is besloten dat het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal treden, vertelde Labour-kamerlid Stella Creasy over de campagnetijd in haar Londense kiesdistrict: ‘Walthamstow is er altijd trots op geweest een smeltkroes te zijn, maar nu zag ik een Somalische vrouw tekeergaan tegen een Hongaarse vrouw. Ze schreeuwde dat haar dochter geen werk kon vinden, 
en dat de Hongaarse moest oprotten naar haar eigen land.’

In dit voorbeeld heeft iedereen een andere kijk op de zaak. Het van oorsprong Engelse Kamerlid zag twee buitenlanders tegen elkaar schelden. De Somalische vrouw zag hoe alle offers die ze de loop der jaren had gebracht om te zorgen dat haar dochter een echte Britse zou kunnen worden, teniet werden gedaan door een buitenlander. En de Hongaarse vrouw zag zichzelf vermoedelijk als een Europese in Europa, die werd uitgescholden door een buitenlandse. De meeste Europeanen in Engeland hadden waarschijnlijk het idee dat ze woonden in een land vol mensen die zichzelf ook als Europeaan beschouwden. Het feit dat een meerderheid vóór de Brexit heeft gekozen, toont aan dat dit allesbehalve het geval was. Dat heeft grote gevolgen, niet alleen voor het Europese project, maar voor iedereen die zich afvraagt wat burgerschap betekent in een wereld waarin allerlei stammen door elkaar heen leven.

Onbekend fenomeen

Immigranten die zichzelf niet als zodanig beschouwen, zijn eigenlijk een onbekend fenomeen in de geschiedenis, aangezien er vrijwel altijd toestemming nodig is geweest om je in het land van een ander te vestigen. Vóór 1708, het jaar waarin in Engeland de Foreign Protestants Naturalization Act werd aangenomen – teneinde onderdak te kunnen bieden aan de Franse Hugenoten die werden vervolgd door de katholieken – kon een buitenlander alleen staatsburger van het Verenigd Koninkrijk worden door directe tussenkomst van het parlement of door een verzoekschrift aan de koning. (Het hele idee van het ‘Verenigd Koninkrijk’ was betrekkelijk nieuw – de unie met Schotland was nog maar net twee jaar oud.) Door de nieuwe wetten (die in 1711 weer werden herroepen) werd het voor het eerst mogelijk om op legale wijze dezelfde rechten te verkrijgen als iemand die in het land was geboren. De reden die werd aangevoerd voor deze historische maatregel was dat ‘de aanwas van mensen een middel is om de rijkdom en de macht van een land te vergroten.’

De economische drijfveren om naturalisatie toe te staan zijn in de afgelopen driehonderd jaar niet echt veranderd. Nadat in 1993 de EU in het leven is geroepen, is het aantal mensen dat naar het Verenigd Koninkrijk is geëmigreerd verdrievoudigd – van 75.400 in 1995 tot 223.000 in 2004, aldus Will Somerville in Immigration under New Labour. Die ontwikkeling is voor een groot deel te danken aan Tony Blairs New Labour-regering (1997-2007), die de deur openzette voor geschoolde immigranten.

Maar het gold niet alleen voor de Maastricht-burgers van Europa; ook het aantal werkvergunningen voor immigranten van buiten de EU verdrievoudigde. De grootste verandering vond plaats in 2004, toen het Verenigd Koninkrijk zich als slechts een van de drie Lid-Staten verzette tegen beperkingen voor de acht Oost-Europese landen die zich dat jaar bij de EU aansloten. De overheid voorspelde dat er hooguit 13.000 Europeanen per jaar naar het Verenigd Koninkrijk zouden komen. In minder dan twee jaar kwamen er bijna 580.000 – waarvan ongeveer twee derde afkomstig uit Polen, volgens Sommerville. ‘Na 2004 volgde de grootste toestroom van immigranten in de Engelse geschiedenis, met als gevolg de snelste bevolkingsaanwas ooit’, schrijft historicus Robert Tombs.