Financial Times | Londen

De pas 33-jarige emir van Qatar erfde zijn baldadigheid van zijn ouders. Maar hij lijkt de politieke dynamiek in de Golf verkeerd te hebben ingeschat.

Het was juni 2013, en het kleine emiraat Qatar deed van zich spreken. Het toonde zijn diplomatieke spierballen in een Midden-Oosten waar de revolutie gistte. Het pompte miljarden aan gasdollars in prestigieuze buitenlandse investeringen. En toen, op de toppen van zijn succes, deed sjeik Hamad bin Khalifa al-Thani, de emir van Qatar, iets wat de verkalkte politieke elite in de Golf diep schokte: hij trad af ten gunste van zijn 33-jarige zoon Tamim. Daarmee gaf Qatar een ultiem blijk van een non-conformistische geest.

Naburige autocraten, die de emir dikwijls te nationalistisch en overmoedig hadden gevonden, reageerden deels onthutst en deels opgelucht. Onthutst omdat Hamad de heersende traditie aan zijn laars had gelapt – men treedt hier niet vrijwillig af – en het overige leiderschap in de Golf te kijk had gezet als een bejaardenclub die zich aan de macht vastklampte. Opgelucht omdat de nieuwe, jongere bewindvoerder wellicht gemakkelijker was in te tomen.

Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten hadden zich al geruime tijd mateloos opgewonden over de democratische wind die sinds de Arabische Lente door het Midden-Oosten leek opgestoken, en over de geestdrift waarmee Qatar allerlei revolutionairen, onder wie islamisten, aan de borst drukte.

Qatar koesterde de stille hoop dat de geest van de revolutie, onder aanvoering van een opgeleefde Moslimbroederschap, ook tot de Golfregio zou doordringen