San Francisco Chronicle | San Francisco

De Summer of Love is er nooit geweest. O, natuurlijk, deze zomer vijftig jaar geleden is er heus wel wat gebeurd in San Francisco, maar het was niet de idyllische, dartele en utopische pastorale uit de popmythologie.
Dat was een jaar eerder.

Aan het begin van de zogeheten Summer of Love in 1967 waren hippies officieel niet welkom in San Francisco. Maar zelfs toen ze overduidelijk waren afgeschrikt door burgemeester John F. Shelley en het voltallige gemeentebestuur streken tienduizenden jongeren uit heel Amerika in San Francisco neer zodra de zomervakantie begon. De trottoirs van Haight Street raakten algauw verstopt met onelegante, ronddolende misfits.

Wat ze zochten was al grotendeels verdampt en verdween praktisch geheel met hun komst. In juli werd er in Haight Street openlijk oorlog gevoerd door de hippies en de politie. Busroutes werden verlegd om de brave burgers te behoeden voor het mini-Sodom. In augustus waarde George Harrison van The Beatles door de straten van Haight-Ashbury, als een rattenvanger gevolgd door het wrakhout dat daar die zomer was aangespoeld. Later zei hij dat hij door deze ervaring voorgoed van de drugs af was geraakt.

Aan het eind van die zomer maakten de bloemenkinderen weer plaats voor het gebruikelijke straatpubliek en had het hippiegebeuren de wijk naar de heuvels genomen. De Grateful Dead, die op dat moment op tournee waren, hadden hun vrouwelijke hulptroepen naar New Mexico gestuurd om daar plattelandsgemeenten te verkennen, terwijl een handjevol deugnieten nog voor het hoofdkwartier van de Dead op Ashbury Street 710 bleef hangen. Ze zouden er niet lang blijven.

Hoe gecommercialiseerd, gecorrumpeerd, gedesintegreerd of impopulair de hippies ook zijn geworden, ze weigeren te verdwijnen