El País | Madrid

Volgens ex-guerrillero Joaquín Villalobos graaft het Maduro-regime een graf voor de Bolivariaanse Revolutie. Het politieke model is op sterven na dood; niets maar dan ook niets zal het nieuw leven kunnen inblazen.

Er zijn in Latijns-Amerika drie veranderingen gaande die extreem-links een zware slag toedienen: het einde van de gewapende strijd in Colombia, de geleidelijke maar onomkeerbare terugkeer van Cuba naar het kapitalisme en het einde van de Bolivariaanse Revolutie. Venezuela vormt de spil van deze veranderingen. Met meer dan vierhonderd politieke gevangenen en de weigering om via vrije verkiezingen de mogelijkheid te scheppen voor een alternatief, heeft het chavistische regime zijn ware dictatoriale gezicht laten zien. Na Fujimori’s poging in Peru is het continent gevrijwaard gebleven van extreem-rechtse dictaturen, en een kleine veertig jaar democratie later zijn er nog maar twee extreem-linkse dictaturen over: Cuba en Venezuela. Dat is de context waarbinnen de honderd protestdagen tegen Maduro zijn uitgegroeid tot de langstdurende en omvangrijkste vreedzame protestactie in de geschiedenis van Latijns-Amerika. Geen enkele dictatuur zag zich ooit geconfronteerd met zo’n stellige afwijzing.

Als Maduro in 2016 het oppositiereferendum had erkend, dan had hij met 40 procent van de stemmen zo goed als zeker verloren. Nu verliest hij elke dag meer steun en graaft hij langzaam maar zeker een graf voor de Bolivariaanse Revolutie. Dat er in Venezuela een strijd gaande zou zijn tussen revolutionair links en extreem-rechts is totale quatsch; het regime ziet zich geconfronteerd met een voornamelijk op het politieke midden georiënteerde coalitie waarbij zich partijen, leiders, sociale organisaties en linkse intellectuelen hebben aangesloten die in de markt en de democratie geloven. Wat in Venezuela op het spel staat, is de toekomst van het politieke midden in heel Latijns-Amerika, want nu sympathiseren de democratische krachten niet met rechts of links extremisme. Het failliet van het extremisme biedt perspectief op een volwassener vorm van democratie in Latijns-Amerika.

Oliesocialisme

Chavez mag dan het leven van het Cubaanse regime met een aantal jaren hebben verlengd, nu probeert Cuba zich letterlijk los te rukken van de Venezolaanse oliekraan en zich vast te klampen aan de Amerikaanse geldkraan. Achttien jaar geleden wist ieder weldenkend mens dat de Bolivariaanse Revolutie beperkt houdbaar was. Door de schommelende olieprijzen en de technologische ontwikkelingen was het absurd te veronderstellen dat het oliesocialisme voor altijd zou blijven voortbestaan, dat de bomen tot in de hemel zouden blijven groeien zonder dat er geïnvesteerd werd in de economie. Toch zagen linkse groeperingen in heel Latijns-Amerika, Spanje, Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en de rest van de wereld in Hugo Chavez de wederopstanding van de Messias, en in Venezuela de wedergeboorte van de utopie die in Oost-Europa niet langer bestond en in Cuba op zijn laatste benen liep.

Maar zoals te verwachten viel, implodeerde het socialisme van de eenentwintigste eeuw, met een enorme humanitaire crisis als gevolg; het feestje van de revolutionaire spilzucht en het opportunistische zakkenvullen is voorbij. Van alle zogeheten Bolivariaanse regimes was dat van Venezuela het enige dat met zijn onteigeningsbeleid openlijk de oorlog verklaarde aan de markt en daarmee de eigen economie de nek omdraaide. Wat het regime nu nog rest is de brute, militaire kracht die het altijd al had. De denkbeelden die Chavez omarmde waren eerder een uitgelezen kans voor de militaristische traditie van Venezuela dan dat ze een bepaalde ideologie vertegenwoordigden. De bindende factor van de Bolivariaanse Revolutie was niet het politieke ideeëngoed maar het geld. De biljoenen oliedollars verklaren waarom de militairen zich zo gemakkelijk tot links bekeerden.

Het Venezolaanse leger heeft meer generaals dan de Verenigde Staten, 
ze bekleden duizenden functies bij de overheid en in de regering, ze bewapenen paramilitaire groeperingen, ze zitten in de drugshandel, ze mengen zich in het bedrijfsleven, ze onteigenen bedrijven, ze profiteren van de corruptie, ze beheersen de zwarte markt, ze onderdrukken en arresteren leden van de oppositie, gooien hen in de gevangenis en martelen en berechten hen. In zeventien jaar tijd hebben de militairen bijna driehonderd Venezolanen vermoord omdat ze op straat protesteerden. In de geschiedenis van de Latijns-Amerikaanse dictaturen is er geen enkele militaire elite geweest die zich zo heeft kunnen verrijken, en de links-extremisten praatten dat overal op de wereld goed onder het mom van de ‘revolutie van het volk’. Het Venezolaanse oliegeld heeft ervoor gezorgd dat intellectuelen uit de westerse wereld en de Derde Wereld de voormalige extreem-rechtse kopstukken als revolutionairen zien. Vroeger joegen de Amerikanen op de Latijns-Amerikaanse revolutionairen; nu hebben de Bolivariaanse revolutionairen bezittingen en bankrekeningen in Florida. Het is niet nodig om Venezuela binnen te vallen en evenmin hoef je contrarevolutionairen van wapens te voorzien, zoals destijds in Nicaragua. De Bolivariaanse Revolutie is niet afhankelijk van Rusland of van China, maar van zijn vijand, de ‘imperialistische yankee’, die olie bij hem moet blijven kopen. Venezuela bedient maar 8 procent van Amerikaanse markt. Zouden de Verenigde Staten besluiten de olieafname te staken, dan is dat geen uiting van agressie maar een door de markt gedicteerde beslissing. Al lijkt het te gek voor woorden, Maduro zit dus nog op zijn plek dankzij de welwillendheid van Donald Trump. Anti-imperialistische argumenten gaan hier dus niet op. De Verenigde Staten hebben zich niet ingelaten met de politieke situatie in Venezuela, terwijl ze dat eerder wel deden in Chili, de Dominicaanse Republiek, Panama en El Salvador.