Aeon   | Londen  

Het Franse Vreemdelingenlegioen is allang geen toevluchtsoord meer voor staatloze criminelen en verdwaalde huurlingen. Er wordt nog wel druk gemarcheerd, maar nu door elitecommando’s, vergelijkbaar met de Britse SAS of de Amerikaanse Navy Seals.

Waar denk je aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen? Waarschijnlijk aan mannen met een zware blauwe uniformjas en witte pet die moeizaam door de woestijn ploegen. Mannen die dienst hebben genomen na een leven in de misdaad en dapper doorvechten tot ze ofwel het Legioen weer verlaten om hun achtergrond te gelde te maken als keiharde, anonieme huurling, of anders sterven in de modder van Dien Bien Phu, terwijl de laatste helikopters naar La Belle France vertrekken.

De werkelijkheid is anders. De eerste versie van het Legioen werd gezien als een ruw stel huurlingen, 
een toevluchtsoord voor misdadigers die er konden ontkomen aan vervolging en een nieuw leven konden beginnen om uiteindelijk Frans staatsburger te worden. In zijn tweede incarnatie werd het Legioen een soort surrogaatfamilie. En nu, in zijn derde fase, presenteert het zich als elitecommando, vergelijkbaar met de Britse SAS of de Amerikaanse Navy Seals. De legionairs van nu zijn veel meer dan een bende ‘wegwerpsoldaten’.

Toch vertoont ook het moderne Legioen nog de sporen van die vroegere incarnaties. Nog steeds is er die nadruk op marcheren (om erbij te mogen moet je eerst verschillende marsen van afstanden tussen de 50 en 120 kilometer afleggen, met volle bepakking) en nog steeds nemen mannen er dienst omdat ze graag willen vechten. Maar het salaris is tegenwoordig goed, zeker als je in gevechtsgebied dient. Zelfs een beginnend rekruut verdient nu 1205 euro per maand, terwijl hij geen vaste lasten heeft of eten hoeft te betalen, en dat is heel iets anders dan de 5 centimes per dag uit de negentiende eeuw. In die tijd kon een legionair zich wijn óf tabak veroorloven, niet allebei, en zeker geen andere luxeartikelen.

Nog steeds staan jonge mannen in de rij om dienst 
te nemen. Elk jaar melden enkele duizenden zich aan, en zo’n 80 procent van hen wordt afgewezen. Het moderne Legioen telt rond de achtduizend man en heeft per jaar maar duizend nieuwe rekruten nodig om op sterkte te blijven. De nieuwelingen zijn gemiddeld 23 jaar oud. De laatste jaren is 42 procent van de rekruten afkomstig uit Oost- en Midden-Europa, 14 procent uit West-Europa en de VS en rond de 10 procent uit Frankrijk. Zo’n 10 procent komt uit Latijns-Amerika en nog eens 10 procent uit Azië. Deze jonge mannen zonder vaste wortels zweren geen trouw aan Frankrijk, maar aan het Legioen zelf. Dat is de enige loyaliteit die ze kennen.

Helse training

Het Legioen heeft verschillende onderdelen: genietroepen, parachutisten, gewapende cavalerie, infanterie en de zogenaamde pioniers. De parachutisten zijn gelegerd in Calvi op het eiland Corsica (sinds een couppoging in 1961 worden ze nog steeds niet betrouwbaar genoeg geacht om op het vasteland te mogen verblijven). Andere onderdelen hebben kazernes in Frans-Guyana en in de Verenigde Arabische Emiraten. De laatste keer dat het Legioen in actie kwam was in Mali, waar het de regering ondersteunde in de strijd tegen opstandige Al-Qaidastrijders.

Zijn ze eenmaal door de strenge selectie, dan tekenen rekruten een vijfjarig contract en worden ze naar 
‘de boerderij’ in de Pyreneeën gestuurd voor een helse training van zes weken, waarin het kaf nog verder van het koren wordt gescheiden. Dit is waarschijnlijk minder zwaar dan de selectie voor de Britse SAS, maar er komt zeker meer poetsen, marcheren, zingen en discipline bij kijken – veel meer. Algemeen heerst de overtuiging dat keiharde discipline de enige manier is om mannen van zo’n verschillende achtergrond samen te smeden tot één hechte gevechtseenheid. Officieren die hun ondergeschikten slaan zijn een normaal verschijnsel in het 
Legioen. De methode is simpel en al zo oud als de wereld: breek de man, ontdoe hem van zijn oude loyaliteiten en geef hem dan een nieuwe familie. 
In die nieuwe familie mogen rekruten een nieuwe naam kiezen – de naam die ze vanaf dat moment voorgoed zullen dragen. En zo zijn ze uiteindelijk 
een nieuw persoon geworden, met een nieuw land en een nieuwe identiteit. En dit is dan ook voor veel mannen de grootste aantrekkingskracht van het Legioen: een nieuw leven. Maar wel een leven in 
een wereld waarin de dood heilig is.

De redenen van de moderne rekruten zelf om bij het Vreemdelingenlegioen te gaan, kunnen prozaïsch klinken. Gareth Carins, een voormalige bestekmaker in de bouw, wees een aanbod van het Britse leger af en koos voor het Legioen. ‘Ik hield gewoon van dat leger’, schrijft hij in Diary of a Legionnaire (Dagboek van een legionair, 2007). ‘Ik maakte graag bergtochten, 
ik hield van reizen en ik was op zoek naar avontuur.’ Hij vertelt dat mensen hem meestal aankijken met ‘een blik vol ongeloof en zelfs teleurstelling’ als hij 
dit zegt – en dat is niet zo vreemd, want de mystiek van het legioen is niet gemakkelijk te begrijpen. 
Het enige wat Carins niet noemt is de dood, terwijl die toch een belangrijke rol speelt in de aantrekkingskracht van het Legioen.