The New York Times   | New York

Eerst hoopte de conservatieve oprichter van American Affairs dat de tenenkrommende tweets van de president weggestreept konden worden tegen een succesvolle beleidsagenda, maar het scheppen van groteske media-opwinding blijkt zijn enige talent te zijn.

Toen Donald Trump aankondigde dat hij campagne ging voeren voor het presidentschap dacht ik, net als de meeste mensen, dat het een kortstondige publiciteitsstunt was. Maar een maand later zag ik op C-SPAN bij toeval een van zijn politieke bijeenkomsten. Hij had me meteen te pakken. Ik steunde de Republikeinen in tientallen artikelen, radio- en tv-optredens, al dachten conservatieve vrienden en collega’s dat ik het niet echt kon menen. Al in september 2015 schreef ik dat Trump ‘de meest serieuze kandidaat in de race’ was. Critici van mijn pro-Trump-blog en van het nonprofitblad dat ik daarna oprichtte, beschuldigden ons van pogingen om ‘Trump beter te begrijpen dan hij zichzelf begrijpt’. Ik hoopte dat dat het geval was. Ik zag de achteruitgang in dit land – de zwakke economie en de rafelende sociale structuur – en dacht dat Trumps bereidheid om partijgebonden patstellingen te omzeilen de start kon zijn van een vernieuwingsproces.

Ongegrond optimisme

Het is nu duidelijk dat mijn optimisme ongegrond was. Ik kan deze schandalige regering niet meer steunen, en ik zou iedereen die haar, net als ik, ooit toejuichte willen aansporen om de 45ste president niet meer te verdedigen.

In plaats van Amerika weer groot te maken heeft Trump de basis van ons gezamenlijke burgerschap verraden. En zijn daden belemmeren elk vooruitzicht op een beleid dat de belofte van het Amerikaanse leven zou kunnen herstellen.

Misschien vraagt u zich af, in het bijzonder na de gebeurtenissen in Charlottesville, wat ik toch ooit in deze kandidaat heb gezien. Hoewel Trump zich tijdens de voorverkiezingen meestal grof en grillig gedroeg, schuwde hij strikte ideologieën en sneed hij direct thema’s aan die de conventionelere kandidaten van beide partijen liever vermeden. In plaats van een lofzang te houden op Amerikaanse ondernemingen erkende hij dat onze ‘informatie-economie’ weinig groei wat betreft loon of productiviteit heeft opgeleverd. Hij was bereid kritiek te leveren op de consensus van de twee partijen inzake de handel en wees op de verwoestende gevolgen van de-industrialisatie, waar vele gemeenschappen onder lijden. Hij sprak openhartig over de fiasco’s van beide partijen op het gebied van de buitenlandse politiek, zoals de debacles in Irak en Libië, en verwierp de utopische retoriek van de ‘bevordering van de democratie’. Hij sprak over het probleem van de toenemende inkomensongelijkheid – iets wat bijna ongehoord is voor een Republikeinse kandidaat – en deed niet net alsof alleen belastingverlaging of terugdringing van de overheid het probleem kon oplossen.