Al-Joemhoerija | Istanboel

Ooit waren de Syriërs alleen bang voor de politie en handlangers van het regime. Vandaag de dag wordt de stad beheerst door haat en wantrouwen tussen soennieten, sjiieten en christenen.

Rahaf, een vrouw van in de dertig, is uitgeput. De hele dag is ze koortsachtig op zoek geweest naar een appartement. Ze is aan het einde van haar krachten, maar moet toch nog even volhouden. Het is in Damascus immers moeilijk een fatsoenlijke en betaalbare woning te vinden. ‘Zeker voor een soennitische als ik,’ preciseert ze.

Ze heeft er best een aantal gevonden die ze heel geschikt vond, maar die waren allemaal in het oude deel van Damascus, waar voornamelijk christenen en sjiieten wonen. En, zo zegt ze, ‘na weken speuren ben ik tot de conclusie gekomen dat de eigenaren niets willen verhuren aan soennieten.’ Het wordt nooit in zo veel woorden gezegd, maar wat één eigenaar Rahaf toevoegde liet aan duidelijkheid weinig te wensen over: ‘Het spijt me, maar u bent niet een van de onzen.’

Ze heeft ook geprobeerd zich in te schrijven in een van de kloosters in de wijk Bab Charqi (een christelijke wijk in de oude stad van Damascus), die nogal eens kamers aan jonge vrouwen verhuren, maar ook daar stuitte ze op afwijzing. Alle kamers waren al bezet, luidde het voorwendsel. Feit is dat er in Damascus, in het bijzonder in de oude wijken, tegenwoordig niet alleen meer de vertrouwde angsten heersen voor de handlangers van het regime, voor arrestatie, voor de ronselpraktijken van het leger, of voor de dood door een verdwaalde kogel. De angst voor ‘de ander’ is erbij gekomen. Men verschanst zich in zijn eigen gemeenschap, en wie uit een ander deel van het land komt, kan rekenen op botte vijandigheid.

‘Je kunt maar beter voorzichtig zijn. Je weet niet wat er kan voorvallen’