The Guardian | Londen

Literaire superster Rebecca Solnit grapt in dit verontrustende maar ijzersterke essay dat zij de volmaakte zoon voor haar moeder was geweest. Hoe anders zou haar leven eruit hebben gezien?

Op een avond, ik was nog heel jong, gaven gay vrienden een feestje waar de mannen als vrouwen moesten komen en omgekeerd. Mijn toenmalige vriendje deed dit met hulp van zijn moeder zo goed, dat veel heteromannen er zenuwachtig van werden: even vroegen ze zich angstig af wat de begeerlijke, giechelende sirene in dat strakke jurkje betekende voor hun heteroseksualiteit. Ik was lang niet zo overtuigend als Rod Stewart-achtige man met driedagenbaard van houtskool en ik was zelf een beetje verbaasd dat een man nadoen voor mij kennelijk inhield dat ik wijdbeens op de sofa ging zitten boeren en in mijn kruis krabben, terwijl ik woedend om me heen keek en vloekte. Het was best een leuk gevoel om eens niet mijn best te hoeven doen iemand te plezieren of aardig gevonden te worden, maar het was niet per se hoe ik wilde zijn.

Ik ben oud genoeg om nog tot halverwege mijn basisschooltijd meegemaakt te hebben dat meisjes niet 
in een broek op school mochten komen; om nog te weten hoe een columnist in de plaatselijke krant chagrijnig en panisch betoogde dat als vrouwen broeken droegen het verschil tussen de seksen zou verdwijnen, wat hij beangstigend vond. Ik heb het grootste deel van mijn leven rondgelopen in spijkerbroeken en op schoenen die geschikt zijn voor ruw terrein, maar ook met lipstick en lang haar, en omdat ik een vrouw was kon ik de dunne lijn bewandelen tussen wat vroeger werd gezien als mannelijk en als vrouwelijk. Maar ik heb me weleens afgevraagd hoe het leven zou zijn als ik een man was. Waarmee ik niet wil beweren dat ik last heb of zou willen hebben van de genderdysforie en diepgaande vragen rond lichaam, seksualiteit en zelfgevoel waar transmensen mee worstelen.

Succesobjecten

In veel opzichten vind ik het prettig om vrouw te zijn, maar soms kan het vrouw-zijn op een bepaalde manier een gevangenis vormen, en af en toe dagdroom ik erover om die gevangenis uit te zijn. 
Ik weet dat man-zijn ook een gevangenis kan betekenen, op een andere manier. Ik ken en mag veel mannen, hetero en homo, en zie hoe zij zijn opgezadeld met lasten die ik niet graag zou willen dragen. Al die dingen die mannen niet geacht worden te doen of te zeggen of te voelen; het feit dat er voortdurend op jongens wordt gelet om te voorkomen of te bestraffen dat ze iets doen wat niet past in het conventionele beeld van de heteroseksuele mannelijkheid – die opgroeiende jongens voor wie flikker 
of mietje, dus dat je niet hetero of mannelijk bent, nog steeds vaak de ergste scheldwoorden zijn.

In de jaren zeventig, toen sommige mannen nog 
probeerden uit te zoeken hoe hun eigen bevrijding gelijk op kon gaan met die van de vrouwen, was er een keer een demonstratie waarin mannen een spandoek ophielden met de tekst ‘Mannen zijn meer dan succesobjecten’. Misschien werd ik als meisje wel bevrijd van de verwachting dat ik in de een of andere vorm een mislukking zou worden. Ik kon rebelleren door te slagen, terwijl veel blanke middenklassemannen van mijn tijd leken te rebelleren door te mislukken, omdat er zulke hoge verwachtingen aan hen werden gesteld. Dat had soms het voordeel dat ze meer steun kregen in hun ambities, maar het nadeel was meer druk en hogere verwachtingen. 
Ze moesten later president worden, of hun moeders grote trots, of de enige steunpilaar van het gezin, of elke dag een held zijn – opmerkelijke dingen doen. Gewoon, fatsoenlijk en een harde werker zijn vond men vaak niet genoeg. Maar voor hen was succes wel beschikbaar, dat was een voordeel – en dat is het nog. Wat dat betreft zitten we nog steeds met wanverhoudingen: The New York Times meldde in 2015 dat ‘minder grote bedrijven worden geleid door vrouwen dan door mannen die John heten’. Bij de grootste bedrijven in de VS ‘zijn er voor elke vrouw vier mannen die John, Robert, William of James heten’.

Toen mijn moeder nog leefde, zei ik wel eens voor 
de grap dat mijn probleem was dat ik de volmaakte zoon was. Mijn moeder verwachtte van mij, voor zover ik wist, iets heel anders dan van haar drie zoons. Ik grapte vaak dat zij haar dak moesten repareren en ik haar geest. Ze wilde iets onmogelijks van me, ik moest een combinatie zijn van beste vriendin en vertrouwelinge, verzorgster en persoon die ze op elk moment met alles kon lastigvallen – een persoon die het altijd met haar eens was en nooit wegging. Haar huis lag zo’n dertig kilometer ten noorden van 
San Francisco, waar ik al sinds mijn achttiende woonde, en ik was bereid om geregeld naar haar toe te komen – en niet alleen op feestdagen, Moederdag en haar verjaardag –, cadeautjes mee te brengen, te luisteren en praktische hulp te bieden, terwijl ik ondertussen mijn eigen leven leidde (ik was al sinds mijn zeventiende uit huis en financieel onafhankelijk).

In feite was ze jaloers op de kansen die ik kreeg en waarvan zij vond dat ze die niet had gekregen, te beginnen met mogelijkheid om naar de universiteit te gaan, die haar niet was geboden, en haar broer wel. Ik denk dat deze afgunst veel voorkomt tussen haar generatie en de mijne; in zekere zin zag ze mijn carrière als sta-in-de-weg voor mijn eigenlijke rol als haar verzorger, of als verzorger in het algemeen. Ik wist dat de acceptabele manier om te ontkomen aan het toegewijd zijn aan haar, was door mijn leven te wijden aan andere mensen – een man te nemen, kinderen te krijgen –, liever dan niet beschikbaar 
te zijn omdat ik werkte en mijn eigen leven leidde. Toen ik nog jong was, zei ze vaak het rijmpje op: 
A son is a son till he takes him a wife, a daughter is a daughter all of her life. Haar verwachtingen hadden de ondertoon ‘Ik heb mijn leven voor anderen opgeofferd; nu moet jij jouw leven voor mij opofferen.’