ESPN   | Bristol (VS)

Sport als propaganda

Het Syrische voetbalelftal plaatste zich onlangs voor de play-offs voor het WK 2018. Een geweldige prestatie, maar ook één met een wrange bijsmaak, schrijft sportjournalist Steve Fainaru: ‘De harde waarheid is dat het voetbal door president Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur.’ Sterspeler Firas al-Khatib worstelt met de vraag: stel ik me wel of niet beschikbaar? 

Op een koele middag in februari zit een van de beste voetballers van Syrië in een winkelcentrum in Koeweit te dubben over een beslissing die hem, zo vreest hij, het leven kan kosten. Vijf jaar lang heeft Firas al-Khatib het nationale elftal geboycot uit protest tegen Assad, die zijn stad heeft uitgehongerd en gebombardeerd. Maar nu lijkt hij ineens van gedachten te zijn veranderd. Hij overweegt zich toch weer beschikbaar te stellen voor de beslissende slotfase van de WK-kwalificatie. Zijn motieven zijn complex en hij praat er niet graag over.

‘Ik ben bang, bang,’ zegt hij in ietwat plechtstatig Engels. ‘Zodra je in Syrië nu je mond opendoet, is er iemand die je vermoordt – om wat je zegt, om wat je denkt. Niet om wat je dóét. Ze doden je om wat je denkt.’

Khatib is een man met een tenger postuur, een baardje, bruine krullen en zachte ogen. Bij zijn profclub in Koeweit verdient hij miljoenen. Het chique winkelcentrum waar wij hem spreken, met uitzicht op een jachthaven waar mannen op terrassen aan een waterpijp lurken, geeft een indruk van zijn luxe leventje hier. Maar hij worstelt zichtbaar met zijn grote dilemma. ‘Elke dag lig ik hier een paar uur over te malen voordat ik in slaap kom.’

Hij pakt zijn telefoon en laat zijn Facebookpagina zien, waarop dagelijks honderden berichten binnenkomen. Zelfs sommige van zijn beste vrienden dreigen nu met hem te breken. Nihad Saadeddine, een speler met wie hij is opgegroeid, zegt dat Khatib ‘samen met iedereen die de misdadige Assad heeft gesteund op de schroothoop van de geschiedenis’ zal belanden, als hij toch weer voor Syrië speelt. En dat hij hem dan nooit meer wil spreken.

Keuze tussen twee kwaden

Over 36 dagen speelt Syrië zijn volgende kwalificatieduel. Voor die tijd moet Khatib een keuze maken tussen twee kwaden. Als hij meespeelt, wordt hij de aanvoerder en spil van het team dat zijn land voor het eerst naar een WK kan brengen. Maar dan speelt hij wel voor een bloedig regime dat niet alleen zenuwgas, marteling, uithongering en bombardementen als wapens hanteert, maar ook voetbal als propagandamiddel inzet. Blijft hij het nationale elftal boycotten, dan kiest hij partij voor een met vreedzame demonstraties begonnen oppositie die inmiddels uiteen is gevallen in een baaierd van splintergroeperingen, waaronder IS en Al-Qaida. En voetbal is voor IS al vaker een doelwit van bloedige aanslagen geweest, zoals die bij het Stade de France in 2016, en de zelfmoordaanslag op een jeugdwedstrijd in Irak die aan 29 kinderen het leven kostte.

‘Er zijn nu zo veel moordenaars in Syrië, het zijn er niet meer een of twee,’ zegt Khatib. ‘En ik heb aan allemaal een hekel.’ Hij weet zich geen raad. ‘Wat ik ook doe,’ zegt hij, ‘twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken.’

Het is alsof de Syriërs in het hart van hun echte burgeroorlog nog een miniatuuroorlog uitvechten: een felle en soms ook bloedige strijd om de ziel van hun nationale sport. Nu het land tegen alle verwachtingen in kans maakt op een WK-plaats, komen ook sommige spelers (en coaches) tegenover elkaar te staan. De Syrische regering roemt het voetbalveld als een plek waar Syriërs van alle gezindten nog vreedzaam kunnen samenkomen. Voetbal is ‘een droom die mensen samenbrengt,’ zegt Bashar Mohammad, woordvoerder van het nationale elftal. ‘Het tovert een lach op hun gezicht en helpt ze de geur van dood en verwoesting even te vergeten.’ Maar de harde realiteit is dat het voetbal door Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur – en dat de FIFA het toelaat.

Minstens 38 spelers uit de hoogste twee competities en nog eens tientallen uit lagere divisies zijn al door de Syrische regering doodgeschoten, omgekomen bij bombardementen of doodgemarteld. Dat soort cijfers worden verzameld door Anas Ammo, een voormalig sportjournalist uit Aleppo die nu onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen tegen Syrische sporters. Minstens dertien voetballers worden vermist. Op kleinere schaal hebben ook de oppositiestrijdkrachten sporters gedood: Ammo telt vier slachtoffers van IS. Maar volgens het Syrische Netwerk voor Mensenrechten is het vooral de regering die ‘sporters en sportfaciliteiten inzet voor haar gewelddadige bewind’. Voetbalstadions zijn gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op burgers, en vanaf het begin van de oorlog werden teams gedwongen voor het regime te demonstreren met spandoeken of shirts met afbeeldingen van Assad. ‘Assad was erop gebrand dat sporters en kunstenaars hem zouden steunen, want zij hebben invloed op de mensen,’ zegt Ammo. ‘Als speler moest je aan die demonstraties meedoen.’

In 2015 ontving de FIFA een dossier vol bewijzen dat Syrië het verbod op politieke inmenging in het voetbal overtreedt. De afgelopen tien jaar heeft de FIFA op basis van dat verbod al twintig keer een land uitgesloten van internationaal voetbal. Maar op het rapport ‘Oorlogsmisdaden tegen Syrische voetballers’ reageerde de FIFA alleen met de mededeling dat ‘de tragische omstandigheden ver buiten het bereik van de sport vallen’.