Le Monde Diplomatique   | Parijs

In de Noord-Syrische regio Rojava hebben bewoners een democratische confederatie in het leven geroepen, gebaseerd op lokaal zelfbestuur. Ze streven naar een egalitaire samenleving waarin de rechten van vrouwen en minderheden worden gerespecteerd.

Ondanks de nacht heerst er 
nog een verstikkende hitte in Kamishli. Nadat we snel zijn vertrokken van de kleine luchthaven die nog altijd wordt gecontroleerd door enkele tientallen politiemannen en soldaten van het regime van Bashar al-Assad, komen we onmiddellijk op het grondgebied van de Democratische Federatie van Noord-Syrië, vaak ‘Rojava’ genoemd (Koerdisch voor ‘west’). In dit gebied langs de Turkse grens tussen de Eufraat en Irak, dat is terugveroverd op de jihadisten van Islamitische Staat, wonen minstens twee miljoen mensen, van wie 60 procent Koerden. Sinds 2014 waait in dit deel van Noord-Syrië een politieke wind die is geïnspireerd door Abdullah Öcalan, de oprichter van de Koerdische Arbeiderspartij PKK, die al vanaf 1999 gevangenzit in Turkije. De PKK en haar Syrische bondgenoot PYD (Democratische Uniepartij) hebben het marxistisch-leninisme vaarwel gezegd en zich bekeerd tot het anarchosyndicalisme van de Amerikaanse ecoloog Murray Bookchin (1912-2006).
Hun beginselverklaring, het in 2014 aangenomen Sociaal Contract van de Democratische Federatie van Noord-Syrië, verwerpt nationalisme en staat een egalitaire samenleving voor waarin alle bevolkingsgroepen gelijkelijk zijn vertegenwoordigd en de rechten van minderheden worden gerespecteerd.

Rojava is de facto autonoom. Behalve de enclave Hasakah en de luchthaven van Kamishli, die onder het gezag van Damascus vallen, wordt de regio gecontroleerd door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), waarin de Koerdische strijders en strijdsters van de Volksbeschermingseenheden (YPG), de Vrouwelijke Volksbeschermingseenheden (YPJ) en leden van de soennitische, yezidische en christelijke milities zich hebben verenigd.

Reusachtige YPG-vlaggen wapperen boven de talrijke wegversperringen in Kamishli, waar de politie van de autonome regering ieder voertuig minutieus inspecteert. Zelfmoordaanslagen door jihadisten vormen een permanente dreiging. Iedereen herinnert zich die van 2016, waarbij 44 doden en 140 gewonden vielen. De duisternis in de straten contrasteert met de verlichting van Nusaybin en Mardin, twee steden aan de andere kant van de Turkse grens. In een regio die wemelt van de natuurlijke hulpbronnen illustreert het energieprobleem de uitdagingen waarvoor het nieuwe bewind zich gesteld ziet. In Rumeilan, op honderd kilometer van Kamishli, langs de weg naar Irak, vormen zich lange wachtrijen bij de pompstations. Voor het begin van de oorlog, in 2011, leverde deze regio 380.000 vaten ruwe olie per dag, eenderde van de productie van het land. Door de strijd is de oliewinning met 70 procent gedaald en is er een schreeuwend gebrek aan benzine. Omdat er geen raffinaderijen zijn, ziet de autonome regering zich gedwongen een deel van de ruwe olie aan het Syrische bewind te verkopen, dat voor een forse prijs brandstof teruglevert: 80 eurocent per liter.

Bovendien schieten de kleine ambachtelijke raffinaderijen die benzine voor 20 eurocent per liter verkopen als paddenstoelen uit de grond, maar hun aanslag op het milieu begint zorgwekkend te worden. De rook kleurt het landschap zwart; huidziekten en ademhalingsproblemen nemen hand over hand toe. ‘We hebben voorlopig geen andere oplossing,’ erkent Samer Hussein, de vrouwelijke adjunct-directeur van de energiecommissie die in Rumeilan zetelt. ‘Zodra we kunnen, zullen we moderne raffinaderijen bouwen en de regio schoonmaken. En we zullen al die arbeiders natuurlijk 
in de nieuwe fabrieken tewerkstellen.’

Excuus

In andere regio’s van Rojava, zoals Manbij, is het verbod op ambachtelijke raffinaderijen in het verkeerde keelgat geschoten van het deel van de bevolking waarvoor elektriciteit al op rantsoen is gesteld, hoewel de SDF de drie grootste stuwmeren langs de Eufraat heeft veroverd. Volgens internationale afspraken moet Turkije, dat het stroomopwaartse deel van de rivier benut, de doorstroming van 600 
kubieke meter water per seconde garanderen. ‘Toen IS de stuwmeren controleerde, liet Turkije een groter volume door,’ bevestigt Ziad Rustem, ingenieur en adjunct-directeur van de energiecommissie van het kanton Jazira. ‘Maar sinds de Syrische Democratische Strijdkrachten het gebied hebben bevrijd, zijn de Turken het watervolume gaan verminderen. Momenteel stroomt er nog geen 200 kubieke meter per seconde door.’

Sherwan Youssef, journalist bij de Koerdische tv-zender Ronahi in Kamishli, onderstreept de onvrede bij de bevolking. ‘In Kamishli hebben enkele honderden mensen een protestbetoging gehouden. Ze geven de autonome regering de schuld, maar niet Turkije. Toch vind ik die betogingen terecht. Oorlog kan niet altijd een excuus zijn voor het gebrek aan geleverde diensten.’

Ook al speelt milieubescherming een prominente rol in het Sociaal Contract, er zijn ook mensen die benadrukken dat de context daarvan de bouw van raffinaderijen, de modernisering van stuwmeren en de ontwikkeling van duurzame energie verhindert. Turkije heeft een blokkade in de regio opgeworpen, net als zijn bondgenoten van de Democratische Partij van Koerdistan (PDK), die het noorden van Irak bezet houden en met een scheef oog naar het succes van de PKK en de PYD kijken.