360 | Amsterdam

Franklin Foer, broer van schrijver Jonathan Safran Foer, was hoofdredacteur van het tijdschrift The New Republic toen dat werd overgenomen door Facebookmiljonair Chris Hughes. In dit fragment uit zijn boek Ontzielde wereld beschrijft Foer hoe Hughes’ zucht naar digitale lezers het blad van de regen in de drup hielp.

Chris Hughes was een mythische ridder – jongensachtig onschuldig, fantastisch rijk, intellectueel nieuwsgierig, onverwacht nederig en trots idealistisch. In mijn hele carrière bij The New Republic heb ik van zo’n weldoener gedroomd. Vele jaren lang dreven we van de ene eigenaarsgroep naar de andere, die stuk voor stuk het tijdschrift en zijn historische missie wilden redden. Maar deze investeerders ontbrak het aan de middelen om in onze toekomst te investeren of ze hadden onvoldoende vertrouwen om er volledig voor te gaan. We bleven onze edities ophoesten, maar steeds achtervolgd door het spookbeeld dat we in de handen van een Russische oligarch of een ideologische fanaticus 
zouden belanden. De eindeloze zoektocht naar een beschermheer putte me uit. Ik nam in 2010 ontslag als hoofdredacteur. Een jaar later ging The New Republic opnieuw dringend op jacht naar een nieuwe eigenaar. En toen kwam Chris binnenwandelen.

Chris was niet alleen een redder: hij was een gezicht van de tijdgeest. Op Harvard had Chris een kamer gedeeld met Mark Zuckerberg, die hem tot een van de eerste werknemers van Facebook had gezalfd. Chris gaf ons duffe oude tijdschrift een millennium-fiat en een groter budget. Bovendien beschikte hij over een grondige kennis van de sociale media. We hadden het gevoel dat de hoop van de journalistiek op onze schouders rustte, die snakte naar een waardige oplossing voor alles wat haar mankeerde.

Tijdens mijn kennismakingsgesprek met Chris dwaalden we doelloos door het centrum van Washington met papieren koffiebekers in de hand. Het was een warme lentedag. We gingen zitten op 
de stenen trappen van een Georgische kerk. In die eerste weken als eigenaar had Chris voor zichzelf een eindeloze luistertoer geboekt. Hij leek met iedereen te willen spreken die bij het tijdschrift had gewerkt of die er een duidelijke mening over kon hebben. Maar tijdens ons gesprek leek hij duidelijk meer te willen dan mijn advies. Hij liet doorschemeren dat hij me graag in mijn oude functie zou willen zien.

De eigenaren van The New Republic waren altijd oudere mannen geweest, met veel geld en uitgesproken meningen. Chris was op een intrigerende manier anders. Hij was achtentwintig jaar oud, en door zijn leergierigheid leek hij zelfs nog jonger. ‘Toen ik hoorde dat The New Republic te koop was,’ zei hij tegen me, ‘ging ik naar de openbare bibliotheek van New York en begon te lezen.’ Hij vroeg microfiches van oudere jaargangen aan. Uit elk decennium van het honderdjarig bestaan van het tijdschrift selecteerde hij een tiental nummers om door te ploegen. De romantische geschiedenis van het tijdschrift – zijn legendarische lijst van schrijvers zoals Rebecca West, Virginia Woolf, Edmund Wilson, Ralph Ellison en James Wood – prikkelde zijn verbeelding en deed de hand op zijn knip verslappen.

Hoewel hij sinds de beursgang van Facebook honderden miljoenen achter de hand had, leek hij niet geïnteresseerd in zijn rijkdom of er op zijn minst moeite mee te hebben. Hij schaamde zich altijd een beetje wanneer mensen erop wezen dat hij twee landgoederen en een ruime loft bezat; hij droeg 
vaak elke dag van de week dezelfde blazer.

De bron van zijn fortuin bepaalde niet wie hij was. Hij sprak altijd met een ontwapenende afstandelijkheid over Facebook. ‘Ik breng niet veel tijd op de site door,’ bekende hij eens tijdens een etentje. Die ontboezeming vond ik heel innemend. Al snel begonnen we het tijdschrift opnieuw te kneden. We wilden onze eigen onmogelijk hoge verwachtingen waarmaken.

Dolle jacht op kliks

Binnen één generatie is de journalistiek beetje bij beetje opgeslokt. De dominante mediabedrijven uit onze tijd beschouwen zichzelf niet als erfgenamen 
van een grootse, van drukinkt doordrenkte traditie. Sommige noemen zichzelf liever technologiebedrijven. Deze herdefiniëring is niet alleen een kwestie van modieuze restyling. Silicon Valley heeft het beroep geïnfilltreerd, zowel van binnenuit als van buitenaf. In het afgelopen decennium is de journalistiek ongezond sterk afhankelijk geworden van Facebook en Google. De grote tech-bedrijven voorzien de journalistiek 
van een enorm percentage van haar publiek – en daarmee van een groot deel van haar inkomsten.

Afhankelijkheid leidt tot vertwijfeling – een dolle, schaamteloze jacht op Facebook-kliks, een meedogenloos streven om vat te krijgen op de Google-algoritmen. Het leidt ertoe dat de media afschuwelijke deals sluiten, die lijken op noodzakelijke ingrepen voor zelfbehoud maar in feite alleen maar Facebook en Google de gelegenheid bieden hen 
nog steviger in de greep te houden. Media verlenen Facebook het recht advertenties te verkopen en geven Google toestemming artikelen rechtstreeks 
op zijn supersnelle server te publiceren.

Wat deze deals zo afschuwelijk maakt, is de wispelturigheid van de tech-bedrijven. Ze veranderen graag snel en radicaal van koers, wat geweldig is voor hun winstcijfers, maar een ramp voor alle mediabedrijven die afhankelijk zijn van de platforms. Facebook bepaalt dat zijn gebruikers de voorkeur geven aan video boven woorden of dat zijn gebruikers ideologisch aangename propaganda verkiezen boven harde nieuwsfeiten.
Wanneer Facebook op deze manier zijn koers wijzigt of wanneer Google zijn algoritmen bijstelt, verstoren ze onmiddellijk het webverkeer naar de media, met alle gevolgen voor de inkomsten van dien. Media weten dat ze aan de greep van Facebook zouden moeten ontsnappen, maar afhankelijkheid kweekt ook lafheid. De gevangene ligt op zijn brits te dromen van vluchtplannen die nooit zullen uitkomen.

Het probleem is niet alleen financiële kwetsbaarheid. Het is de manier waarop de tech-bedrijven werkpatronen opleggen, de manier waarop hun invloed het ethos van een hele branche afstemt op hun behoeften, zoals lagere kwaliteitseisen en slechtere ethische bescherming. Ik had me nooit kunnen 
voorstellen dat ons tijdschrift die kant op zou gaan.

De eerste dagen van mijn samenwerking met Chris waren opwindend. Als een druistige buitenstaander was hij niet geïnteresseerd in blinde navolging van traditionele wijsheid. Toen we de website van The New Republic gingen vernieuwen, kozen we voor een reactionaire benadering.
Onze homepage zou niet op jacht gaan naar de klikgrage bezoeker. Integendeel, we zouden ons hevig verzetten tegen de impuls haar vol te plempen met een eindeloze stroom klikbare content, die met weinig gevoel voor hiërarchie over de pagina verspreid stond. Onze digitale bladzijden zouden schoonheid en eindigheid koesteren. Ze 
zouden elke ambitie om een breed publiek te trekken laten varen en brutaal het idealisme van ons project verkondigen – door Chris omschreven als niets minder dan het behouden van culturele ernst en het bedrijven van gedegen onderzoeksjournalistiek.