Der Spiegel   | Hamburg  

Ruim vier jaar woont de Amerikaanse klokkenluider Edward Snowden alweer op een onbekende plek in Moskou, zonder dat 
er zicht lijkt op verandering in zijn situatie. In een uitgebreid gesprek met het Duitse weekblad Der Spiegel praat Snowden over zijn leven in Rusland, de macht van de inlichtingendiensten en zijn voortdurende strijd tegen massabewaking door overheden.

Om Edward Snowden te interviewen, moet je een lange reis maken. Voor Der Spiegel begon die reis een jaar geleden, met vele gesprekken met zijn advocaten in New York en Berlijn. En hij eindigde onlangs op een woensdag in een Moskouse hotelsuite met uitzicht over het Rode Plein.

De 34-jarige voormalige medewerker van de Amerikaanse CIA en NSA die het wereldwijde bewakingssysteem van de Amerikaanse National Security Agency (NSA) openbaarde, woont ergens in de Russische hoofdstad. Sinds hij de klok heeft geluid geldt hij in zijn eigen land als staatsvijand. Voor burgerrechtenactivisten is hij een icoon geworden, maar hij is ook een man op de vlucht. Bijna had onze reis naar Snowden nog langer geduurd, omdat hij een zware kou vatte en op het punt stond het interview uit te stellen. Uiteindelijk ging het toch door en toonde Snowden zich bescheiden en verbazingwekkend optimistisch in een ruim drie uur durend interview.

Vier jaar geleden verscheen je in een video vanuit een hotelkamer in Hongkong. Het was het begin van het grootste inlichtingenlek in de geschiedenis. Nu zitten we hier, in een hotelkamer in Moskou. Je kunt Rusland niet uit, omdat de Amerikaanse regering een arrestatiebevel tegen je heeft uitgevaardigd. Ondertussen is de wereldwijde bewakingsmachinerie nog steeds in volle gang, waarschijnlijk krachtiger dan ooit. 
Is het dit allemaal echt waard geweest?

‘Het antwoord is ja. Kijk naar wat mijn doelen waren. Het ging me er niet om de wetten te veranderen of de machinerie te vertragen. Misschien had het daar wel om moeten gaan. Volgens mijn critici was ik niet revolutionair genoeg. Maar zij vergeten dat ik een product van het systeem ben. Ik heb op die kantoren gewerkt, ik ken die mensen en ik heb nog steeds enig vertrouwen in hen en in de mogelijkheid dat de systemen hervormd worden.’