The Guardian | Londen

Terwijl de ijskappen afbrokkelen en de Twitterpresident zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, vraagt de Amerikaanse bestsellerauteur Jonathan Franzen zich af wat zijn rol als schrijver kan zijn in tijden van crisis.

Als we kijken naar de oorsprong van het woord essay – afkomstig van het Oudfranse essai, proef – dan gaat het om iets onderzoekends, iets voorlopigs, een tekst waarin niet het laatste woord over een kwestie wordt gesproken; een tekst op grond van de persoonlijke, subjectieve ervaringen van de auteur – misschien leven we momenteel wel in de gouden eeuw van de essayistiek. Naar welk feestje je vrijdagavond bent geweest, hoe je bent behandeld door een stewardess, hoe jij tegen de politieke waan van de dag aankijkt: social media stoelen op de gedachte dat zelfs het allerkleinste verhaal het waard is om niet alleen te worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een dagboek, maar ook om te worden gedeeld met anderen. De president van de Verenigde Staten handelt ook vanuit die gedachte.

Traditioneel nuchtere journalistiek, zoals te vinden in bijvoorbeeld The New York Times, biedt inmiddels ook volop ruimte aan het ik, met de daarbij horende stemmen en meningen en impressies, en ook literair recensenten voelen zich minder en minder genoodzaakt een zekere mate van objectiviteit te betrachten. Vroeger deed het weinig ter zake of Raskolnikov en Lily Bart sympathieke personages waren, maar de vraag of iemand sympathiek is – waarbij impliciet de gevoelens van de recensent gewicht krijgen – speelt tegenwoordig een cruciale rol binnen de literaire kritiek. Literaire fictie krijgt steeds meer weg van een essay.

In enkele van de meest invloedrijke romans van de afgelopen jaren, van Rachel Cusk en Karl Ove Knausgard, wordt het perspectief van de ik-verteller die op zichzelf reflecteert naar een hoger plan getild. De echte fans van dit genre zullen zeggen dat verbeelding en vernieuwing niet meer van deze tijd zijn; dat het een vorm is van appropriation, om niet te zeggen kolonisering, om je de subjectiviteit toe te eigenen van een personage dat anders is dan de auteur, dat de autobiografie de enige authentieke, en politiek verantwoorde manier van vertellen is.

Ondertussen is het persoonlijke essay – dat serieuze literaire genre waarin sprake is van oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed, in het leven geroepen door Montaigne en verder ontwikkeld door Emerson, Woolf en Baldwin – op zijn retour. Er zijn vrijwel geen grote Amerikaanse tijdschriften waarin nog echte, onversneden essays worden gepubliceerd. Het essay houdt voornamelijk stand in kleine publicaties die meestal minder lezers hebben dan Margaret Atwood volgers heeft op Twitter. Moeten we rouwig zijn om het uitsterven van het essay? Of moeten we blij zijn dat het essay de cultuur in bredere zin heeft veroverd?

Essayistiek

Een persoonlijk en subjectief microverhaal: de paar dingen die ik heb geleerd over het schrijven van essays zijn allemaal lessen geweest van mijn redacteur bij The New Yorker, Henry Finder. Ik klopte bij Henry aan in 1994, als aanstormend journalist in geldnood. Het was deels een kwestie van geluk dat ik een publicabel artikel kon leveren over de US Postal Service. Later schreef ik, door narratieve onkunde, een stuk over de Sierra Club dat niet voor publicatie geschikt was. Dat was het moment waarop Henry zei dat ik misschien wel enige aanleg had voor de essayistiek. Wat ik vooral in zijn woorden hoorde was: ‘omdat je duidelijk een journalist van niks bent’. Ik weerlegde zijn opmerking dat ik aanleg zou hebben voor essayistiek. Ik was opgegroeid in het Midwesten, waar je vooral niet te veel over je zelf moet ouwehoeren, en daarnaast had ik bepaalde vooroordelen, ingegeven door bepaalde misvattingen over romans. Ik was van mening dat je de dingen beter kon uitbeelden dan beschrijven. Maar goed, ik had geld nodig, dus ik bleef Henry aan zijn kop zeuren of ik recensies mocht schrijven. Een van die keren vroeg hij me of ik geïnteresseerd was in de tabaksindustrie – waar Richard Kluger net een omvangrijke studie over had geschreven. Ik reageerde meteen met: ‘Sigaretten zijn echt wel het laatste waaraan ik wil denken.’ Waarop Henry ogenblikkelijk reageerde met: ‘Daarom moet je er juist over schrijven.’

Dat was de eerste les van Henry, en meteen ook de belangrijkste. Nadat ik een jaar of tien had gerookt, was ik erin geslaagd om twee jaar te stoppen toen ik begin dertig was. Maar toen ik dat US Postal Service-stuk mocht schrijven, en met het zweet in mijn handen de telefoon moest pakken om mezelf te introduceren als een verslaggever van The New Yorker, was ik weer gaan roken. In de jaren die volgden, slaagde ik erin mezelf te zien als iemand die niet rookte, of in ieder geval iemand die zo vastbesloten was om weer te stoppen dat ik feitelijk geen roker was – maar ondertussen rookte ik wel. Mijn gemoedstoestand was een soort kwantumgolffunctie waarin ik tegelijkertijd een roker en een niet-roker kon zijn, zolang ik mezelf maar niet de maat nam. En het was zonneklaar dat ik gedwongen zou worden mezelf de maat te nemen zodra ik over sigaretten zou gaan schrijven. Want zo gaat dat met essays.

Nog los van dit alles was er mijn moeder, die haar vader had verloren aan longkanker, en die altijd fel tegen roken gekant was geweest. Ik had vijftien jaar lang voor haar verborgen weten te houden dat ik rookte. Een van de redenen dat ik mijn schimmige staat van roker/niet-roker in stand moest zien houden, was dat ik het vervelend vond om tegen haar te liegen. Zodra het met zou lukken om weer te stoppen, en dan voorgoed, zou de golffunctie ineenstorten en zou ik, honderd procent zeker, de niet-roker zijn die ik altijd had voorgewend te zijn – maar die vlieger ging natuurlijk niet meer op als ik eerst, zwart op wit, moest opbiechten dat ik rookte.

Henry was een wonderkind van ergens in de twintig toen Tina Brown hem had aangenomen, bij The New Yorker. Hij had een heel aparte manier van praten, een beetje afgeknepen, een soort overdreven gearticuleerd gemompel, als een tekst die nauwgezet is geredigeerd maar toch nauwelijks valt te lezen. Ik was onder de indruk van zijn intelligentie en zijn erudiete en na niet al te lange tijd leefde ik in een voortdurende angst hem teleur te stellen. Door de hartstochtelijke nadruk die Henry had gelegd in zijn opmerking ‘Daarom moet je er juist over schrijven’ – hij was de enige spreker van wie ik zoiets kon hebben, het beklemtoonde eerste woord ‘daarom’ gevolgd door het gebiedende ‘moet’ – durfde ik een bescheiden hoop te koesteren dat hij op een bepaalde manier notie van mij had genomen.

En zo begon ik aan mijn essay en pafte elke dag een half pakje lichte sigaretten weg, gezeten voor een ventilator in de vensterbank van mijn woonkamer. Na afloop gaf ik Henry het enige stuk dat ik ooit voor hem heb geschreven dat geen redactie behoefde. Ik weet niet meer hoe mijn moeder het stuk in handen had gekregen en hoe ze me duidelijk maakte dat ze zich intens verraden voelde, of ze me een brief schreef of dat ze me belde, ik weet alleen nog dat ze zes weken lang elk contact meed – verreweg de langste stilte waarmee ze me ooit heeft gestraft. Het ging precies zoals ik had gevreesd. Maar toen ze er dan eindelijk overheen was en me weer brieven schreef, voelde ik me echt gezien, gezien als wie ik echt was, op een manier die nieuw voor me was. Het punt was nog niet eens dat ik mijn ‘ware’ zelf voor haar verborgen had gehouden; het punt was dat er eigenlijk helemaal nooit sprake leek te zijn geweest van een waar zelf.